De complexiteit van neurogeen blaaslijden
De term neurogeen blaaslijden kan heel breed worden geïnterpreteerd of beperkt worden tot blaasproblemen die bij zware neurologische problematieken worden gezien. Hiervan zijn vormen van spinale pathologie het beste voorbeeld. Dat dit een specifieke aanpak vergt spreekt voor zich en wordt nog duidelijker tijdens een gesprek met prof. Frank Van der Aa, diensthoofd urologie UZ Leuven.
Mensen met een dwarslaesie, iemand met multiple sclerose (MS) en een plaque in het ruggenmerg, een patiënt met spina bifida, … het zijn typische voorbeelden waarbij neurogeen blaaslijden een extra belasting kan vormen. De patiënten ontwikkelen vaak een detrusor-sfincter dyssynergie (DSD) waarbij de detrusor samentrekt terwijl de sfincter tegelijkertijd onwillekeurig aanspant in plaats van ontspant. Dit geeft enerzijds problemen van blaasincontinentie en aan de andere kant tegelijk stoornissen om de blaas te ledigen, met hoge blaasdrukken tot gevolg die in de loop van de tijd kunnen resulteren in structurele veranderingen van de lage urinewegen met vesico-urethrale reflux en tenslotte nierschade.
“Tot de tweede wereldoorlog was dit voor vele gewonden de voornaamste doodsoorzaak”, zegt prof. Van der Aa. “Daar is voor ons, urologen, een belangrijke taak weggelegd: we moeten voorkomen dat deze cascade zich afspeelt en zorgen dat er geen structurele veranderingen optreden. De problemen tijdig herkennen en de juiste diagnose stellen is dus de boodschap. Zo kunnen we ervoor zorgen dat de druk in het systeem naar beneden gaat en er geen hypertrofie van de detrusor ontstaat. Bij de diagnostiek maken we daarbij gebruik van video-urodynamica, waarbij er tegelijk beeldvorming en drukmetingen worden uitgevoerd.”
Wegvallen van corticale inhibitie
Een heel ander probleem doet zich voor bij patiënten waarbij de corticale inhibitie op de blaas wegvalt. Bij het vullen van de blaas wordt via de perifere zenuwen en het ruggenmerg een signaal naar het pontien mictiecentrum gestuurd dat ervoor zorgt dat de blaassfincter kan ontspannen en de detrusor samentrekt.
“Om te voorkomen dat dit automatisch gebeurt is er een corticale inhibitie. We hebben controle over onze blaas”, verduidelijkt prof. Van der Aa. “Daar waar DSD typisch is voor spinale pathologie, zien we bij zuivere cerebrale aandoeningen, zoals bij parkinson of bij dementie, eerder het wegvallen van die normale corticale inhibitie en krijgen veel patiënten incontinentieproblemen. Ook dat valt onder de brede noemer van neurogeen blaaslijden. Hier is echter geen sprake van dyssynergie en dat vraagt dus om een heel andere aanpak.”
Bewustwording en screening
“Veel patiënten komen eerst bij andere specialisten terecht, vooral bij de neuroloog, maar ook bijvoorbeeld bij de geriater. Het is dan ook ontzettend waardevol als zij bij de oppuntstelling van de patiënt al een eerste screening doen, bijvoorbeeld via vragenlijsten, om een eventuele blaasproblematiek in kaart te brengen. En dat geldt overigens ook voor stoelgangs- en seksuele problemen. Het is dus echt belangrijk om hierover goede afspraken binnen het ziekenhuis te maken. In een steekproef die we in het UZ Leuven deden bij MS-patiënten bleek bij screening dat zowat de helft tot een derde mictieklachten had. Dus bewustwording bij andere artsen, maar ook bij de patiënten zelf, is zeer belangrijk.”
De juiste therapie
Prof. Van de Aa haalt een aantal therapeutische opties aan waarbij voor- en nadelen goed moeten worden afgewogen:
- Veel gebruikte preparaten zijn anticholinergica maar die hebben wel wat bijwerkingen en als de cognitie een probleem is, zoals bij dementie, zijn ze tegenaangewezen. Dan kunnen β-3-adrenoreceptoragonisten een alternatief vormen.
- De meest krachtige behandeling bij incontinentie zijn lokale botuline-injecties. Hier schuilt het gevaar dat ze soms té goed werken en patiënten nadien niet meer kunnen plassen, wat tot retentieproblemen kan leiden.
- Bij overactief blaaslijden kan neuromodulatie zoals posterieure tibiale neuromodulatie worden toegepast. Hierbij plaatst men een naald- of kleefelektrode op de posterieure tibiale zenuw die in verbinding staat met de sacrale zenuwcentra. En dat apparaatje, zeker wanneer er een kleefelektrode wordt gebruikt, kan dan door de patiënt zelf bediend worden.
- Bij sacrale neuromodulatie wordt chirurgisch een elektrode geplaatst ter hoogte van de zenuwwortels S3-S4. Na een succesvolle proefstimulatie met een externe, tijdelijke pulsgenerator kan een definitieve pulsgenerator geïmplanteerd worden in een gluteale pocket.
- Bij echte complexe neuro-urologische problemen, en dan vooral bij spinale pathologie, is er een hele reeks aan chirurgische mogelijkheden die de zelfredzaamheid van de patiënten kunnen teruggeven. Een voorbeeld hiervan is de patiënt met tetraplegie. Bij patiënten met tetraplegie is intermittente zelfsondage via de urethra vaak noodzakelijk wegens het ontbreken van spontane mictie, maar dit kan soms door de beperkte handfunctie en de nood aan transfers uit de rolstoel, onmogelijk zijn zonder hulp van derden.
In dergelijke gevallen kan een katheteriseerbaar stoma ter hoogte van de navel worden aangelegd, dat in geselecteerde situaties wél zelfstandig kan worden gekatheteriseerd. Op die manier kan de patiënt zijn of haar zelfredzaamheid gedeeltelijk terugwinnen. Indien nodig kan voorafgaand aan deze ingreep een peestransfer ter hoogte van de handen worden uitgevoerd om de functionele mogelijkheden verder te optimaliseren. Dergelijke behandelingen worden steeds individueel afgewogen en vereisen een multidisciplinaire aanpak binnen een gespecialiseerd centrum.
Benigne prostaathyperplasie als mogelijke valkuil
De wat oudere mannen met neurologische aandoeningen waarbij er eveneens sprake is van benigne prostaathypertrofie vormen een aparte groep. “Een van de grote problemen daar is de differentiaaldiagnose”, verduidelijkt prof. Van der Aa. “Is het nu de prostaat of eerder de onderliggende neurologische pathologie die voor de blaasproblemen zorgt? Er zijn geen echte goede testen om dit onderscheid te maken. En dan zijn een goede anamnese en veel tijd nemen voor de patiënt cruciaal.”
"Jammer genoeg zien we toch nog vaak dat er te snel tot heelkunde wordt overgegaan, wat niets oplost als de onderliggende reden eerder neurologisch is. In het slechtste geval wordt de urgency-incontinentie zelfs nog erger na een ingreep. Naast een doorgedreven anamnese (zijn er eerder opslagklachten of plasklachten? Irritatieve of obstructieve klachten? Wat is het meest dominante symptoom?), en het bijhouden van een mictiedagboek, kan ook hier urodynamica van nut zijn om alles goed in kaart te brengen. En als er toch tot chirurgie wordt overgegaan, bijvoorbeeld bij eerder obstructieve klachten, is het zeker nodig om de patiënt te verwittigen dat een ingreep geen garantie biedt omdat de neurologische component ook steeds een rol kan spelen.”
Richtlijnen
Dat de behandeling van neurogeen blaaslijden een specifieke aanpak vereist staat buiten kijf. Een nuttige leidraad hierbij vormen de richtlijnen van de European Association of Urology (EAU). De vereniging bracht zopas bijgewerkte guidelines uit (2026). De richtlijnen die erin vervat zijn, zijn steeds op wetenschappelijk bewijs gebaseerd en worden regelmatig bijgewerkt. De neuro-urologische aandoeningen komen in een aparte uitgebreide sectie aan bod.
De belangrijkste doelstellingen zijn hierbij:
- De bescherming van de bovenste urinewegen met voorkomen van hydronefrose, reflux en nierinsufficiëntie.
- Zorgen voor een adequate opslag en lediging bij lage blaasdruk.
- Incontinentie en infecties verminderen.
- Zelfstandigheid, functionaliteit en kwaliteit van leven behouden of verbeteren.
- De richtlijnen besteden verder veel aandacht aan de juiste classificatie, de basis diagnostische testen en meer doorgedreven diagnostische middelen, de behandelopties (medicamenteus en andere) en de verdere opvolging van de patiënt.
Tot slot benadrukt prof. Van der Aa een aantal punten:
- Men mag er niet zomaar van uitgaan dat prostaathyperplasie de oorzaak is van de blaasproblemen, zeker niet wanneer er ook een neurologische problematiek is. Bij zo’n patiënten is voorzichtigheid geboden vooraleer tot heelkunde over te gaan.
- Een goede samenwerking en interne verwijsafspraken met neurologen, neurochirurgen en geriaters zijn cruciaal om blaasproblemen tijdig te onderkennen en te behandelen. Een adequate screening naar urologische klachten is daarbij een essentieel onderdeel.
- Het taboe rond urologische, intestinale en seksuele problemen bij de neurologische patiënt moet doorbroken worden zodat de problemen bespreekbaar worden.
- Wanneer een meer doorgedreven diagnostiek (bv. met behulp van video-urodynamica) of een complexe behandeling nodig is, is het aan te raden om de patiënt naar een derdelijnscentrum te verwijzen waar een grotere expertise aanwezig is. Bij een complexe neurologische patiënt met urologische klachten is het vaak ook nuttig om gewoon een second opinion in een gespecialiseerd centrum te vragen.
- Voldoende tijd en een grondige anamnese zijn bij deze patiënten enorm belangrijk. Ze verdienen een aparte behandeling en moeten niet zomaar in de rij van de ‘gewone’ urologische patiënt gezet worden.
- De juiste perspectieven moeten aan de patiënt worden geschetst, niet elk probleem kan (volledig) worden opgelost. dat moet vooraf duidelijk aan de patiënt worden meegedeeld zodat de verwachtingen realistisch zijn.
- Elke neurologische patiënt, ook de oudere, al dan niet dementerende, patiënt verdient op zijn minst één keer een consult bij de uroloog met een grondige urologische screening.
Bron:
B. Blok (Chair), R. Hamid, C. Hentzen, G. et al. Guidelines on Neuro-Urology 2026.
https://d56bochluxqnz.cloudfront.net/documents/full-guideline/EAU-Guidelines-on-Neuro-Urology-2026.pdf