Moet je de concentratie van TNF-alfa-antagonisten bepalen?
Het responspercentage van patiënten met reumatoïde artritis (RA) op een eerste TNF-alfa-antagonist is van de grootteorde van 80%. Als een eerste TNF-alfa-antagonist niet (meer) werkt, zal nog maar 50% van de patiënten reageren op een tweede TNF-alfa-antagonist en minder dan 30% op een derde. Is dat verlies van werkzaamheid te wijten aan de immunogeniciteit van die biologische geneesmiddelen? Zou het nuttig zijn die antistoffen op te sporen en/of de concentratie van de TNF-alfa-antagonist te bepalen tijdens de follow-up van de behandeling?
Het verlies van werkzaamheid van een TNF-alfa-antagonist kan te wijten zijn aan een hogere klaring van het geneesmiddel waardoor de serumconcentratie daalt, of aan het verschijnen van antistoffen tegen het biologische geneesmiddel. Je kan die hypothese bevestigen door antistoffen op te sporen. Is dat technisch haalbaar? Er bestaan meerdere, gevalideerde technieken (ELISA, RIA ....) om die antistoffen te bepalen, maar ze zijn technisch moeilijk en niet gestandaardiseerd. Dat kan een gedeeltelijke verklaring vormen voor de sterke variaties tussen de gepubliceerde studies. Studies bevestigen dat de aanwezigheid van antistoffen tegen de TNF-alfa-antagonist bij patiënten met RA significant correleert met een geringere respons (36% versus 69% bij de patiënten zonder antistoffen, p = 0,04). Idem dito bij spondylartritis ankylosans, met dien verstande dat patiënten die geen methotrexaat krijgen, gemakkelijker antistoffen ontwikkelen.
Om er meer van te weten
Prof. Thierry Schaeverbeke heeft daar een zeer mooi overzichtsartikel1 over geschreven. Hij stelt dat de immunogeniciteit kan variëren naargelang van de wijze van toediening en het ziektestadium en naargelang de patiënt al dan niet tevens een DMARD krijgt. Als de klinische respons vermindert, is het wenselijk die antistoffen te doseren en in voorkomend geval snel over te schakelen op een andere klasse van biologische geneesmiddelen zoals IL-6-antagonisten.