Totale heupprothese : Welke factoren voorspellen de postoperatieve sterfte?
De postoperatieve sterfte na plaatsing van een totale heupprothese bedraagt ongeveer 0,3%. Meerdere factoren spelen daarbij een rol: rachianesthesie, posterieure chirurgie, medicamenteuze (heparine, aspirine) of mechanische tromboprofylaxe (steunkousen of pneumatische compressie). Hoe zit het met patiëntgebonden factoren (geslacht, leeftijd, rookgedrag,...)?
Een retrospectieve studie1 betreffende plaatsing van 409.096 totale heupprothesen voor coxartrose heeft de sterfte na 90 dagen gemeten. De sterfte is gehalveerd van 0,6% in 2011 tot 0,3% in 2013 na correctie voor de leeftijd, het geslacht en de comorbiditeit. Die daling is te danken aan posterieure chirurgie (beter dan een laterale benadering), mechanische (steunkousen) en medicamenteuze (heparine met of zonder aspirine) tromboprofylaxe, het type anesthesie en het type prothese. Die studie heeft echter geen rekening gehouden met de klinische kenmerken van de patiënten. Daarom hebben de auteurs een breder voorspellend model ontwikkeld uitgaande van het 'UK National Joint Registry', dat alle postoperatieve complicaties en epidemiologische en klinische gegevens van de patiënten bijhoudt.
Betrouwbaar voorspellend model
Het primaire eindpunt van deze studie2 was de totale sterfte na zes maanden. De studie heeft de volgende factoren geëvalueerd: de leeftijd, het geslacht, de BMI, het rookgedrag, alcoholgebruik, het type implantaat en de fixatie, de comorbiditeitsindex van Charlson, de ervaring van het centrum, de indicatie en de geneesmiddelen. De sterfte zes maanden na de artroplastiek bedroeg 1,4%. De sterkste voorspellers van sterfte waren alcoholisme (RR = 0,27), een BMI van 25 tot 30 kg/m² (RR = 0,33), obesitas > 30 kg/m² (RR = 0,4). Het geslacht, een normaal gewicht en de leeftijd waren prognostisch ongunstige factoren. Het RR in geval van comorbiditeit was 1,97 bij een charlsonindex van 1 en 2,21 bij een charlsonindex van 3 of hoger. Een voorspellend model gebaseerd op die gegevens heeft een goede discriminerende waarde (AUC ROC 87,3%). Volgens de auteurs is dat een betrouwbaar instrument om risicopatiënten beter op te sporen.