Behandeling van psoriatische artritis met een TNF-alfa-antagonist : Slechte prognose in geval van antistoffen
Sommige patiënten reageren onvoldoende op de behandeling. Een mogelijke oorzaak daarvan is de immunogeniciteit van TNF-alfa-antagonisten. Vorming van antistoffen kan uitmonden in een heropflakkering van de ziekte gemeten aan de DAS28.
Axiale en perifere psoriatische artritis kan worden behandeld met TNF-alfa-antagonisten. In de IMPACT-studie werden de patiënten langer dan 2 jaar behandeld met infliximab. 69% van de patiënten bereikte een ACR20-respons, 53% een ACR50-respons en 39% een ACR70-respons. Vergelijkbare resultaten werden behaald met adalimumab (PASI75 59% en betere levenskwaliteit). Sommige patiënten vormen evenwel antistoffen die de biologische activiteit van de TNF-alfa-antagonist neutraliseren.
Minder goede prognose bij synthese van antistoffen
Deze studie, een prospectief cohortonderzoek,1 heeft bij 103 patiënten met een psoriatische artritis het verband onderzocht tussen de concentratie van antistoffen tegen adalimumab en de klinische respons gemeten aan de DAS28-score na 28 en 52 weken behandeling. De adalimumabconcentraties waren na 28 en 52 weken significant lager bij de patiënten bij wie antistoffen tegen adalimumab konden worden gedetecteerd, dan bij de patiënten bij wie dat niet zo was (week 28: 1,3 mg/l, IQR 0,0 - 3,2 versus 8,7 mg/l, IQR 5,7 - 11,5, p < 0,001). Na 52 weken bedroeg die spiegel respectievelijk 0,9 mg/l en 9,4 mg/l. De DAS28 was respectievelijk 2,16 en 2,95 na 28 weken en respectievelijk 2,19 en 2,95 na 52 weken, een significant verschil. Patiënten met aantoonbare antistoffen hebben een minder goede klinische prognose dan patiënten zonder antistoffen tegen adalimumab.