Osteofyten, enthesofyten en hoge botmassa: link met artrose?

De triade osteofyten, enthesofyten en hoge botmassa wijst misschien op een apart fenotype van artrose. Maar wat doe je met die informatie, wetende dat er geen specifieke behandeling voor artrose bestaat. Commentaar van prof. Yves Henrotin (ULg).
Vroegere studies hebben aangetoond dat enthesofyten en osteofyten wijzen op een tendens tot meer botaanmaak. De vraag rijst of we hier te maken hebben met een speciaal fenotype van artrose. Om dat te onderzoeken, hebben de auteurs1 226 patiënten met een hoge botmassa van de "UK-based High Bone Mass Study" geselecteerd en vergeleken met 437 controlepersonen afkomstig van twee cohorten, de "Chingford" en de "Hertfordshire Cohort". Bij de patiënten en de controlepersonen werden röntgenfoto's van het bekken gemaakt. Eén enkele radioloog berekende dan een semikwantitatieve score van osteofyten en enthesofyten.
Een significante correlatie
De prevalentie van enthesofyten (? graad 1) was hoger bij de patiënten met een hoge botmassa dan bij de controlepersonen (OR = 3, 95% BI 1,96-4,58, p < 0,001). De prevalentie van enthesofyten correleerde ook met de botdichtheid van de heup en de lumbale wervels (p < 0,001). Er werd ook een significante correlatie waargenomen tussen osteofyten en enthesofyten. Volgens de auteurs kan de zeer positieve correlatie van de triade osteofyten, enthesofyten en hoge botmassa wijzen op een apart type artrose met een hoge botmassa. Anderzijds vond een epidemiologische studie2 een hogere prevalentie van coxartrose (croftscore ? 3) bij 530 patiënten met een hoge botmassa dan bij de controlepersonen (OR = 1,52, p = 0,013), maar ook een hoger percentage osteofyten en subchondrale sclerose. Die gegevens ondersteunen het verband tussen osteofyten, een hoge botdichtheid en coxartrose, een hypertrofisch fenotype.
Wat is de klinische betekenis daarvan?
Volgens prof. Henrotin "betreft het wel degelijk een speciaal fenotype, dat vaak voorkomt in de kliniek, maar waarvoor er geen speciale behandeling bestaat. Dan rijst opnieuw de vraag of je de behandeling zomaar kan veralgemenen. De behandeling werkt immers niet even goed bij alle patiënten met artrose. We moeten dus nagaan wat de beste behandeling is voor een bepaald fenotype. Waarschijnlijk hebben we bepaalde geneesmiddelen ook te vroeg afgeschreven doordat die werden uitgetest in een slechte populatie. Ook rijst de vraag wat de klinische impact zou zijn van controle van de vorming van osteofyten."