Reumatoïde artritis en comorbiditeit: belang van een verpleegkundig programma
Patiënten met reumatoïde artritis (RA) ontwikkelen vaker cardiovasculaire en andere comorbiditeit. Er werden twee initiatieven voorgesteld: zelfevaluatie van de ziekte door de patiënt en een programma van verpleegkundige omkadering voor de aanpak en de follow-up van de comorbiditeit.
RA-patiënten vertonen meer comorbiditeit (hart- en vaataandoeningen, infecties, kanker en botproblemen) dan de algemene bevolking. De paradox is dat die patiënten duidelijk minder goed worden behandeld hoewel die comorbiditeit een belangrijke invloed heeft op de RA. Elk initiatief dat de comorbiditeit wil aanpakken en de ziekteactiviteit wil verminderen, kan een gunstig effect hebben op de prognose. Wat brengen een ondersteunend verpleegkundig programma en educatie van de patiënt bij? Kan dat de patiënt helpen om zijn ziekte te 'beheren' en kan dat in voorkomend geval invloed hebben op de behandeling?
Gunstige effecten
Deze prospectieve, multicentrische, gerandomiseerde studie1 werd uitgevoerd bij 970 patiënten van 18-80 jaar met een RA die sinds minstens drie maanden was gestabiliseerd. De patiënten werden in twee groepen ingedeeld: enerzijds een programma van verpleegkundige consultaties om comorbiditeit op te sporen en om na te gaan of de behandeling overeenstemt met de internationale richtlijnen, en anderzijds educatie tot zelfevaluatie van de ziekteactiviteit (DAS28). De primaire eindpunten waren het aantal maatregelen dat in zes maanden tijd werd genomen om de comorbiditeit aan te pakken, en het percentage patiënten waarbij de behandeling werd veranderd (verhoging van de dosering, verandering van DMARD). Het aantal maatregelen dat door de patiënten werd genomen, was significant hoger in geval van comorbiditeit (4,54 ± 2,08 versus 2,65 ± 1,57, p < 0,001, HR = 1,78) en er werd vaker van DMARD veranderd bij de patiënten die zelf de activiteit van hun ziekte evalueerden (17,2% versus 10,9%, HR = 1,70, p = 0,006). Op het einde van de studie was het percentage patiënten dat niet voldeed aan de EULAR-criteria van respons, evenwel significant hoger in de zelfevaluatiegroep dan in de andere groep (2,62 versus 2,19, p < 0,001).
Een voorbeeld om te volgen
Deze studie toont aan dat een dergelijk programma gunstige effecten heeft op korte termijn. De studie zal nu tot drie jaar worden verlengd om na te gaan of de gunstige effecten mettertijd gehandhaafd blijven. Als dat het geval zou zijn, zou het verpleegkundige programma kunnen worden uitgebreid tot andere reumatische aandoeningen die gepaard gaan met comorbiditeit zoals spondylartritis.