Artroplastiek en infectie: patiënten met een fractuur lopen een hoog risico
Infecties na plaatsing van een totale heup- of knieprothese zijn geduchte complicaties in de orthopedische chirurgie. Deze Zweedse studie toont aan dat patiënten die worden geopereerd wegens een fractuur, een significant hoger risico op infectie lopen dan patiënten die worden geopereerd wegens coxartrose.
Na plaatsing van een knieprothese (TKP) of een heupprothese (THP) treedt in respectievelijk 0,7% en 1% van de gevallen een postoperatieve infectie op. Dat is de frequentste reden voor revisie van de prothese en de mortaliteit daarvan wordt geraamd op 1/200 gevallen. Dit Zweedse cohortonderzoek1 werd uitgevoerd bij 3.807 patiënten bij wie tussen 1996 en 2005 een THP was geplaatst. De frequentie van infectie was significant hoger bij de patiënten bij wie een prothese was geplaatst wegens een fractuur, dan bij de patiënten die waren geopereerd wegens degeneratief heuplijden (2,8% vs. 0,8%). Slechts in 40% van de gevallen kon de infectie worden genezen en in 10% van de gevallen was een langdurige antibiotherapie vereist. Ongeveer 8% van de patiënten is gestorven tijdens de behandeling. De auteur van de studie, dr. Kasina, vindt dan ook dat geschikte profylactische maatregelen moeten worden genomen, vooral tegen coagulasenegatieve stafylokokken, de frequentste verwekkers van infecties bij patiënten bij wie een prothese moet worden geplaatst wegens een fractuur.
Biomarkers en risicofactoren voor infectie
Deze Oostenrijkse studie2 heeft de sensitiviteit en de specificiteit van klassieke biomarkers zoals CRP en het aantal leukocyten vergeleken met andere biomarkers (procalcitonine, IL-6 en interferon alfa) bij 84 patiënten (124 operaties). Het CRP-gehalte was nog altijd de beste diagnostische test voor infecties bij orthopedische chirurgie, maar in geval van twijfel zou een bepaling van de concentratie van procalcitonine en IL-6 kunnen helpen. Die laatste twee markers kunnen ook worden bepaald als de diagnose niet helemaal duidelijk is. Een Amerikaanse studie heeft enkele risicofactoren voor infectie geëvalueerd en is daarbij tot de conclusie gekomen dat risicofactoren voor infectie zijn: een jonge leeftijd, het type interventie en pulmonale of renale comorbiditeit.