Scoliose bij adolescenten: chirurgie vermijden dankzij een korset
2-3% van de kinderen en adolescenten vertoont scoliose. De scoliose moet tijdig worden behandeld om complicaties te voorkomen en de noodzaak tot corrigerende chirurgie tegen te gaan. In het verleden is er altijd discussie geweest over het nut van een korset versus chirurgie. De ontwikkeling van nieuwe, comfortabeler materialen heeft het debat weer aangezwengeld.
In 80% van de gevallen van scoliose gaat het om een idiopathische scoliose, waarbij genetische, hormonale, dystrofische, neurologische en biomechanische factoren een rol zouden spelen. In de overige 20% van de gevallen gaat het om een hereditaire of posttraumatische scoliose (na laminectomie, thoraxchirurgie,...). Een echte scoliose mag niet worden verward met een scoliotische houding als gevolg van een slechte houding of het dragen van een te zware schooltas. Er bestaan meerdere behandelingen: kinesitherapie, chirurgie, hulpmiddelen naargelang van de leeftijd, de krommingshoek, esthetische aspecten ... Een korset krijgt doorgaans de voorkeur omdat het zorgt voor derotatie, translatie en elongatie, maar een korset dragen is erg belastend en het slaagpercentage is dan ook niet denderend tenzij de patiënt, de ouders, de arts, de kinesitherapeut en de orthoprothesist goed als team samenwerken. De inzet van de behandeling is belangrijk. Als de behandeling mislukt, zou de evolutie slecht kunnen zijn met afwijkingen van het skelet als gevolg en zal misschien een corrigerende chirurgie vereist zijn. Wat is nu het beste: opereren of een korset dragen?
Studie voortijdig stopgezet
De BRAIST-studie1 (Bracing in Adolescents Idiopathic Scoliosis Trial) heeft het nut van een thoracolumbosacrale orthese vergeleken met een medische follow-up op regelmatige tijdstippen bij 242 Amerikaanse en Canadese kinderen. De auteurs hebben een gerandomiseerde cohorte en een 'voorkeurscohorte' onderzocht. 116 van de 242 patiënten werden gerandomiseerde naar een korset of observatie en 126 patiënten maakten zelf een keuze tussen korset of observatie. De patiënten in de korsetgroep moesten het korset minstens 18 uur per dag dragen. De primaire uitkomstmaten waren een toename van de kromming tot 50 graden of meer (mislukken van de behandeling) en rijping van het skelet zonder toename van de kromming tot 50 graden of meer (succes van de behandeling). Het slaagpercentage bedroeg 72% in de korsetgroep en 48% in de groep die medisch werd gevolgd (OR = 1,93, 95% BI 1,08-3,46). Het slaagpercentage van de behandeling correleerde ook significant met de volharding bij het dragen van het korset (slaagpercentage van 90-93% als het korset langer dan 13 uur per dag werd gedragen, p < 0,001). Op grond van die goede resultaten werd de studie voortijdig stopgezet.