Nut van markers van botturnover en fracturen?
Veel studies hebben onderzocht of markers van de botturnover het fractuurrisico kunnen voorspellen en nuttig zijn bij de follow-up van de behandeling. Wat is de waarde van S-PINP en S-CTX in de huidige praktijk?
Volgens studie van Vasikaran1 van 2011 voorspellen markers van de botturnover het fractuurrisico bij postmenopauzale vrouwen ongeacht de botdichtheid en zijn ze nuttig om de effecten van de behandeling te volgen. Die conclusie werd bijgetreden door prospectieve studies die in de PubMed-gegevensbank werden teruggevonden tussen 2000 en 2010, en een systematische review van het Agency for Health Care Research and Quality. De auteurs benadrukten dat de studies die ze hebben geanalyseerd, vrij heterogeen waren, maar concludeerden toch dat een marker van botaanmaak, PINP (procollageen type 1 N propeptide), en een marker van botresorptie, S-CTX (serumconcentratie van C-terminale telopeptide van type 1-collageen), zouden kunnen worden gebruikt als referentiemarkers in observationele en interventionele studies. Die aanbeveling werd snel overgenomen door de IOF (International Osteoporosis Fundation) en de IFCC (International Federation of Clinical Chemistry and Laboratory Medecine).
Het enthousiasme wat temperen
De auteurs van een nieuwe meta-analyse2 hebben in de literatuur tien relevante prospectieve cohortonderzoeken teruggevonden waarin de serumconcentraties van PINP en CTX werden gemeten. De meta-analyse werd uitgevoerd uitgaande van zes van die tien publicaties. Er werd een significante correlatie waargenomen tussen S-PINP en het fractuurrisico. De HR steeg (risicogradiënt 1,23, 95% BI 1,09-1,39) bij vrouwen en mannen zonder correctie voor de botdichtheid. Er werd ook een significante correlatie waargenomen tussen de S-CTX-concentratie en het fractuurrisico (risicogradiënt = 1,18, 95% BI 1,05-1,34) zonder correctie voor de botdichtheid. De correlatie tussen de S-CTX en het risico op heupfractuur bedroeg 1,23. Die meta-analyse bevestigt dus dat er een beperkte, maar significante correlatie bestaat tussen die twee markers van botturnover en het risico op latere fracturen.