Ontwrichting na plaatsing van een heupprothese: echt of pseudoprobleem?
Een luxatie is de belangrijkste reden voor revisie na plaatsing van een totale heupprothese in de Verenigde Staten. Wat zijn de risicofactoren? Hoe te behandelen? Via welke chirurgische weg?
De incidentie van luxatie na artroplastiek is laag (< 4%). Een ontwrichting vindt gewoonlijk plaats binnen 6-8 weken na de operatie. Risicofactoren zijn onder meer een hoge leeftijd (> 75 jaar), het vrouwelijke geslacht, dementie of een ziekte van Alzheimer, alcohol- of drugsgebruik, een neuromusculaire aandoening zoals de ziekte van Parkinson en een onderliggende comorbiditeit (aseptische necrose). In de meeste gevallen bestaat de behandeling bij een eerste ontwrichting in reductie en immobilisatie gedurende 3-4 weken . Soms (recidiverende luxatie) is een chirurgische reductie geïndiceerd met als opties revisie van de componenten, een bipolaire artroplastiek, verandering van bepaalde componenten enz. Een luxatie heeft een sterke weerslag op de levenskwaliteit en is kostelijk (de kosten zijn 70% hoger dan bij de eerste operatie). Bovendien stellen veel orthopedisten vast dat het resultaat na revisie nooit zo goed is als bij een ongecompliceerde artroplastiek.
Posterieure of anterieure toegang1
De chirurgische toegangsweg is een belangrijk element. Meestal wordt een posterieure toegang gebruikt, maar daarbij kan de achterste pees worden beschadigd. Theoretisch is de stabiliteit beter bij een anterieure toegang. Een cupula met dubbele beweeglijkheid is een goede optie omdat ze de intrinsieke stabiliteit van het gewricht verzekert. Er wordt dan immers een femurkop ingeplant waarvan de afmetingen sterk gelijken op die van de originele anatomie van de patiënt. Dat verhoogt de kansen op succes zowel bij risicopatiënten als bij een heringreep. In deze multicentrische, prospectieve studie2 met een follow-up van 2-5 jaar werd geen enkel geval van luxatie of andere complicaties waargenomen. De overleving van de implantaten was bijna 100%.