Wat zijn de markers van botturnover waard?
In 2011 hebben de International Osteoporosis Fundation (IOF) en de International Federation of Clinical Chemistry and Laboratory Medecine (IFCC) gesteld dat s-PINP en s-CTX de referentiemarkers zijn bij het voorspellen van het risico op fracturen. Wat leert de literatuur ons over de relatie tussen markers en fracturen?
We kunnen de botremodeling meten met markers van botaanmaak, waaronder vooral type 1- collageenpropeptide (PINP) en markers van botresorptie waaronder type 1- collageentelopeptide (CTX). Veranderingen van die markers geeft informatie over de efficiëntie van een botresorptieremmer of anaboliserende behandeling en over het risico op fracturen op lange termijn.
Analyse van 16 publicaties
In deze literatuurreview werd onderzocht of er al dan niet een significante correlatie bestaat tussen de concentraties van die 2 markers en het fractuurrisico (dat risico kan niet worden geraamd door meting van de botdichtheid). De literatuurreview betreft 10 publicaties en één meta-analyse (van 6 studies). Er werd een significante correlatie waargenomen tussen de s-PINP-spiegel en het fractuurrisico (HR = 1,23; 95% BI 1,09-1,39) bij mannen en mannen, niet gecorrigeerd voor de botdichtheid. Er werd ook een significant verband vastgesteld tussen de s-CTX-spiegel en het fractuurrisico (HR = 1,18; 95% BI 1,05-1,34). De s-CTX-spiegel was iets beter (HR = 1,23) bij het voorspellen van heupfracturen.
Een significante correlatie
Dat is de eerste meta-analyse van die aard, waarbij bovendien de meting van het risico werd gestandaardiseerd. Volgens prof. John Kanis, voorzitter van de IOF, is verder onderzoek noodzakelijk, maar deze studie is toch al een belangrijke stap voorwaarts.