De diagnostische criteria voor fibromyalgie moeten specifieker
Fibromyalgie veroorzaakt diffuse symptomen. Die symptomen kunnen echter ook voorkomen bij aandoeningen zoals osteoporose en artrose. De diagnose is niet eenvoudig en dat leidt er waarschijnlijk toe dat het syndroom wordt onderschat. Bij 10-20% van de visites in de huisartsgeneeskunde wordt een diagnose gesteld van fibromyalgie. Het is evenwel de bedoeling om de sensitiviteit en de specificiteit van de diagnostische criteria te verbeteren.
Deze studie is uitgegaan van de diagnostische criteria voor fibromyalgie van het American College of Rheumatology van 2010, die in 2011 werden gewijzigd. Ze werd uitgevoerd bij patiënten met diffuse pijnen, patiënten dus die pijnspecialisten, reumatologen en psychologen dagelijks zien.
De specificiteit verbeteren
Er werden 321 patiënten onderzocht van wie er 135 een fibromyalgie vertoonden volgens de criteria van het ACR van 1990 en 186 patiënten met 16 andere chronische pijnpunten. Bij vergelijking met de oude ACR-criteria van 1990 bedroeg de sensitiviteit van de criteria die in 2011 werden gewijzigd, 83% en de specificiteit 67% en werd bij 74% van de patiënten een correcte diagnose gesteld. Er werden inmiddels nog andere criteria opgesteld die uitgaan van de score van 10 items van de SIQR (Symptom Impact Questionnaire) en de 28-PLI (Pain Location Inventory). De diagnostische betrouwbaarheid was maximaal bij > 17 pijnpunten en een SIQR-symptoomscore > 20 op een schaal van 0-50. Die criteria, die in 2013 werden gepubliceerd, hebben een diagnostische sensitiviteit van 81% en een specificiteit van 80% en stellen een correcte diagnose bij 80% van de patiënten. Volgens de auteurs zijn die criteria gebruiksvriendelijker en veel specifieker.