Heeft een artroplastiek van de heup of de knie een effect op de sterfte?
Het effect van een artroplastiek op de sterfte is moeilijk te becijferen gezien de verbetering van de operatietechnieken en de vergrijzing van de bevolking, waardoor die patiënten vaak comorbiditeit vertonen. Er bestaan weinig goede epidemiologische gegevens.
Dit retrospectief cohortonderzoek werd uitgevoerd bij 71.812 patiënten met een totale heupprothese en 40.642 patiënten met een totale knieprothese die werden geopereerd tussen 1989 en 2007. Alle doodsoorzaken en de specifieke oorzaken van ziekten werden geregistreerd en gestratificeerd volgens kalenderperioden. De relatieve risico's werden gecorrigeerd voor de leeftijd, het geslacht en de comorbiditeit.
Een lagere sterfte
Vanaf het begin van de jaren negentig is de kortetermijnoverleving na een artroplastiek sterk verbeterd: de sterfte na 60 dagen was duidelijk lager bij de patiënten bij wie tussen 2004 en 2007 een heupprothese (RR = 0,40, 95% BI: 0,28-0,58) of een knieprothese werd geplaatst (RR = 0,37, 95% BI: 0,21-0,67). Die tendens was veel meer uitgesproken dan in de algemene bevolking. Het is vooral de sterfte aan acuut myocardinfarct, veneuze trombo-embolie, pneumonie en CVA die gedaald is. Nochtans vertoonden de patiënten over die periode meer comorbiditeit voor de chirurgie. Volgens de auteurs is het effect op de sterfte significant, ook al omdat het gaat om oudere, fragielere patiënten dan vroeger, en is het misschien te danken aan een verbetering van de chirurgische techniek en het gebruikte materiaal.