Epidemiologie van femurfracturen op een implantaat
Een eerste epidemiologisch rapport neemt alle femurfracturen op een implantaat door en vergelijkt de gegevens van 2013 met die van 2005
De frequentie van femurfracturen op een implantaat neemt gestaag toe als gevolg van de vergrijzing van de bevolking en de stijging van het aantal femurfracturen en het aantal patiënten bij wie een artroplastiek wordt uitgevoerd. In deze epidemiologische studie bij 35 patiënten (gemiddelde leeftijd 82,7 jaar) ging het om 13 fracturen op een totale heupprothese (THP), 11 op een totale knieprothese (TKP), 1 fractuur tussen prothesen, 2 fracturen tussen een TKP en osteosynthesemateriaal (femurhalsschroeven, femurnagel) en 8 fracturen op osteosynthesemateriaal (1 op schroeven, 5 op nagels). De tijd tussen de THP en de fractuur bedroeg 14,3 jaar; voor een TKP was dat 8,3 jaar en voor osteosynthesemateriaal 2,2 jaar.
De typische patiënt is nu 10 jaar ouder
In 2013 ging het typisch om vrouwen ouder dan 85 jaar (75 jaar in 2005) met een proximale of distale femurfractuur op een prothese. Het aantal fracturen op een TKP was bijna even hoog als het aantal fracturen op een THP.