Steeds meer orthopedisten deconventioneren
Sinds enkele jaren neemt het deconventiepercentage bij orthopedisten onophoudelijk toe. Het ongenoegen is voelbaar binnen het beroep, legt dr. Yo Baeten uit. Zij is specialist in orthopedische chirurgie en traumatologie aan de Europa Ziekenhuizen in Brussel, en voorzitster van de Belgische geneeskundige beroepsunie voor orthopedische chirurgie.
In 2008 verwierpen 34,91% van de orthopedisten de conventie, tegenover 25,53% in 2007. Eind 2010 was dit cijfer al 36,47%, op 21 december 2012 38,31% en op 23 januari 2013, de datum van het laatste akkoord artsen-ziekenfondsen, kwam het in de buurt van de 40% (39,44%). "Op dit ogenblik werken wij met een nomenclatuur die dateert uit de jaren zeventig. Anders gezegd, de middeleeuwen van de geneeskunde!" zegt dr. Yo Baeten ironisch.
Honorariaverschillen
Om een aantal verschillen te onderstrepen, die soms groot kunnen zijn op het vlak van honoraria volgens 'de zwaarte van de handeling': bij een osteosynthese van een middelhandsbeentje en van een dijbeen bijvoorbeeld kan er een enkelvoudig tot een viervoudig verschil zijn tussen beide interventies. Terwijl het eigenlijk gaat om een identieke operatie met het plaatsen van een plaat en een schroef. Ander voorbeeld: voor de ingreep op een kootje is het honorarium 100 euro. Dezelfde interventie op een dijbeen kan gemakkelijk tot 450 euro gaan. "Waarom? Eerlijk gezegd weet ik het niet. Want een kootje opereren is zeer moeilijk. En beide interventies hebben een gelijkaardige complexiteit."
Het zou interessant zijn om precies te weten hoeveel orthopedisch chirugen die deconventioneren een praktijk hebben, zoals de hand-, voet- en schouderchirurgen, drie subspecialismen binnen de orthopedie die op dit ogenblik vinden dat ze niet correct bezoldigd worden. "Men moet ook weten dat een operatie van cataract, een georganiseerde interventie die lang van tevoren gepland is, en over het algemeen minder lang duurt dan een herimplantatie van een vinger - wat zich altijd in hoogdringendheid afspeelt - beter bezoldigd wordt. Terwijl dit ons vaak dwingt om een andere consultatie te annuleren of andere interventies uit te stellen. Dat is de enige uitleg die ik heb voor het groeiende ongenoegen", aldus Baeten.
Veel meer subspecialismen
Daarenboven herinnert ze eraan dat tien jaar geleden een orthopedist over het algemeen alle types van interventies aanvaardde. Van tijd tot tijd een minder goed betaalde interventie uitvoeren werd in zekere zin 'gecompenseerd' door andere, beter betaalde codes. "De orthopedie is vandaag veel meer onderverdeeld in subspecialismen. Zelf voer ik sinds vijftien jaar enkel nog interventies op handen, polsen en ellebogen uit. En net als mijn collega's wordt ik geconfronteerd met een uitermate triestige nomenclatuur: het gebeurt zelden dat een code voor een chirurgische handeling de 300 euro overstijgt. Op die manier krijgen gespecialiseerde artsen, met dezelfde opleiding, soms twee keer minder dan de anderen."
Hieruit vloeit een zeker onevenwicht voort, wat binnen het beroep als onaanvaardbaar wordt beschouwd, en de reden vormt waarom de beroepsvereniging in 2009 een aanvraag voor een nieuwe nomenclatuur heeft ingediend. Dr. Baeten en verschillende van haar collega's hebben hard gewerkt aan dat dossier. "De honoraria voor sommige operaties, die zeer complex waren in de jaren zestig maar dat vandaag niet meer zijn, zullen naar beneden herzien worden. Daarenboven is de budgetaire enveloppe voor orthopedie gestegen met 3 miljoen euro, wat toelaat om de middelen op een rechtvaardige manier te verdelen tussen de verschillende medische en chirurgische subspecialismen, en ook om nieuwe codes aan te maken. Het dossier werd onderzocht en goedgekeurd door de verschillende instanties van het Riziv waarbij de voorgestelde wijzigingen binnen de voorziene budgetaire marge bleven. Het werd zelfs opgenomen in de akkoorden artsen-ziekenfondsen. Enkel de handtekening van minister Onkelinx ontbreekt nog." En dat zou niet te lang mogen uitblijven, hoopt dr. Baeten.