Kan behandeling structurele schade bij SpA voorkomen?
Hoe behandelen we spondylartropathieën (SpA) om structurele schade te vermijden of uit te stellen? Wanneer starten we en welke middelen zijn effectief?
NSAID's zijn de hoekstenen van de behandeling van ankyloserende spondylitis (AS).
Continu of intermitterend?
Recent heeft analyse van de gegevens van de Duitse spondylartritiscohorte bevestigd dat een hoge dosis NSAID gedurende twee jaar minder ziekteprogressie geeft dan een lage dosis.(1) Maar dit effect is veel minder uitgesproken in de groep met niet-radiografische axiale SpA, de vroege stadia dus. Mogelijk komt dat omdat de enige echte predictor voor ankylose het baseline aanwezig zijn van syndesmofyten is. "Bij patiënten zonder inflammatie (normaal CRP) en geen baseline syndesmofyten, speelt de doeltreffendheid van NSAID geen rol. Maar wie al syndesmofyten heeft en geneigd is er meer te ontwikkelen (want inflammatie), zal door behandeling met een hoge dosis NSAID minder snelle radiografische progressie hebben dan de patiënt die intermitterend NSAID neemt. Hetzelfde blijkt uit de celecoxib-studie.(2)"
Wat met anti-TNF?
De vier momenteel geregistreerde anti-TNF's geven ASAS40-responsen op 24 weken bij AS van 39 tot 47 %. En dat blijft aanhouden in de tijd. Dr. Filip Van Den Bosch (UZ Gent): "In onze eigen cohorte hebben we nu een follow-up met anti-TNF van acht tot twaalf jaar, met een goede doeltreffendheid. Als we chronisch behandelen, hebben we een goede respons op ziekteactiviteit en functionele parameters. Maar na twee jaar tonen de resultaten van de OASIS-cohorte geen verschil in structurele schade met anti-TNF versus een historische controlegroep. De meest eenvoudige reden is dat de paden voor inflammatie en ankylose verschillend zijn. "
Is vroeger beter?
Is vroeger beter? "Momenteel zijn de data nog zeldzaam, maar naar analogie met andere chronische ziekten kunnen we dat wel verwachten. In de ABILITY-1-studie bereikte 46 % van de patiënten met niet-radiologische axiale SpA na week twaalf een ASAS40 met adalimumab 40 mg subcutaan om de week, versus 15 % met placebo ((p < 0,001).(4) Dat zijn de cijfers die we echter ook met AS vaststellen. Maar als we kijken naar subgroepen, dan hadden jonge patiënten (< 40 versus > 40) en patiënten met kortere ziekteduur (< 5 jaar versus >5 jaar) en patiënten met een objectieve meting van inflammatie (abnormaal CRP) een significant betere respons. En dat is geruststellend, want gepoolde data van infliximab en golimumab in klassieke AS, geven vergelijkbare cijfers. "