Gentherapie voor de ziekte van Parkinson
De ziekte van Parkinson is de op één na meest voorkomende neurodegeneratieve aandoening. In België tellen we ongeveer 50.000 patiënten en wereldwijd is er een toename van 6,2 miljoen in 2016 naar bijna 12 miljoen in 2021. Ondertussen is de zoektocht naar nieuwe therapieën volop aan de gang.
De huidige farmacologische behandelingen werken vooral symptomatisch en hebben beperkingen waardoor de nood aan ziektemodificerende behandelingen met neuroprotectieve agentia hoog is. Hierbij wordt onder meer gekeken naar gentherapie.
Nieuwe wegen bewandelen
Levodopa is nog steeds de gouden standaard voor de behandeling van de motorische symptomen. Daarnaast worden DOPA-decarboxylase-remmers, dopamine-agonisten, monoamineoxidase B-remmers, catechol-O-methyltransferase-remmers en centraal werkende anticholinergica ingezet. Maar ze gaan vaak gepaard met ernstige bijwerkingen en op lange termijn dooft hun effect uit.
Gentherapie is in volle evolutie en ziet er veelbelovend uit, hoewel het ook anno 2026 nog grotendeels experimenteel is. De meeste gegevens komen uit adeno-associated virus mediated (AAV)- en lentivirale studies. Bij preklinisch onderzoek met AAV-vectoren kon de dopaminesynthese in primatenmodellen sterk verhoogd worden en klinische studies tonen dan weer aanzienlijke motorische verbeteringen (tot 36% op UPDRS).
Principe van AAV-en lentivirale gentherapie
Bij virale vectortherapie worden virussen gebruikt waarbij het pathogene materiaal wordt vervangen door therapeutisch materiaal en waarbij de virussen hun ‘lading’ aan de gastcellen afgeven. Door hun lage immunogeniciteit, langdurige expressiestabiliteit, neuronaal tropisme en veiligheid worden bij Parkinson vooral AAV- of lentivirus-geassocieerde vectoren gebruikt.
AAV levert normaal gezien DNA af dat buiten het genoom van de gastcel blijft met een langdurige expressie in niet-replicerende cellen, terwijl lentivirus het genetisch materiaal direct in het genoom van de gastheer integreert met een permanente modificatie tot gevolg.
Toegepast bij parkinson
De belangrijkste pathofysiologische kenmerken van de ziekte zijn het progressieve verlies aan dopaminerge neuronen in de substantia nigra en de abnormale aggregatie van α-synucleïne, samen met het voorkomen van Lewy bodies.
Op het ogenblik worden een aantal interventies in klinische studies onderzocht.
- VY-AADC (aromatisch L-aminozuurdecarboxylase): naarmate de ziekte vordert gaan de cellen die dit essentiële enzym, dat levodopa in dopamine omzet, progressief verloren. Door middel van gentherapie wordt het gen dat voor AADC codeert direct in het putamen gebracht zodat weer meer dopamine uit levodopa wordt aangemaakt.
- CERE-120: hierbij wordt de neurotrofe factor Neurturin (NTN) naar het striatum en de substantia nigra gebracht om de overleving en het herstel van dopaminerge neuronen te bevorderen.
- ProSavin: maakt gebruik van een lentivirale vector met de genen voor tyrosinehydroxylase (TH), AADC en GTP-cyclohydrolase (GCH1) in een poging om de volledige dopamine-syntheseroute in de resterende neuronen te herstellen.
De eerste resultaten zijn veelbelovend, maar er zijn nog veel hindernissen, onder meer het vinden van geschikte diermodellen, de limitatie van de vectormodellen en het gebrek aan objectiveerbare uitkomstmaten. Wanneer deze overwonnen worden zal het beleid bij de ziekte van Parkinson wellicht kunnen evolueren van symptomatisch naar ziektemodificerend.
Bron:
Wang y; Adeno-Associated Virus-mediated neural repair in parkinson's disease: a systematic review from animal models to clinical trials; Journal of Clinical Technology and Theory Vol.3 Issue 2 Available Online: 8 July 2025 DOI: 10.54254/3049-5458/2025.24628