Bij een patiënt met chronische pijn is de empathie van de partner van onschatbare waarde

Volgens een studie (1) uitgevoerd aan de Universiteit van de staat Ohio verbetert empathie van de partner de lichamelijke functie van mensen met chronische pijn en maakt dat hun dagelijkse leven draaglijker.
De auteurs zijn tot die conclusie gekomen na follow-up van 145 mensen met gonartrose en hun respectieve partner, allen ouder dan 50 jaar. De proefpersonen hebben dagelijks een korte vragenlijst beantwoord gedurende drie weken. De partners evalueerden de pijn die door de patiënt werd uitgedrukt. De patiënten evalueerden de welwillende aanwezigheid en het antwoord van hun partner op hun expressie van pijn. De vorsers hebben de lichamelijke functie van de patiënten gemeten (o.a. het evenwicht, het stappen, de snelheid en het vermogen om overeind te komen uit een stoel) in het begin van de studie, na 6 en na 18 maanden.
Een welwillend antwoord van de partner op de pijn en een empathisch gedrag bleken bij te dragen tot een geleidelijke verbetering van de lichamelijke functie over verloop van tijd in vergelijking met de patiënten van wie de partners minder gevoelig waren voor hun pijn. De patiënten hadden een beter evenwicht, konden sneller stappen en slaagden erin om alleen op te staan.
Een dergelijke vaststelling kan misschien vanzelfsprekend lijken, maar is toch nieuw. Het is immers de eerste keer dat een studie het gedrag van de naaste omgeving linkt aan het herstel van de patiënt.
De Universiteit van Cambridge heeft een meta-analyse (2) uitgevoerd bij meer dan 89 000 mensen, die aantoont dat cognitieve empathie gerelateerd is aan het gen LRRN1, een gen op chromosoom 3, dat vooral tot expressie wordt gebracht in het striatum, een hersenzone die meespeelt bij het nemen van beslissingen. Een dergelijke empathie stemt overeen met het vermogen om emoties op het gezicht van anderen en vooral in hun ogen te lezen en mag niet worden verward met affectieve empathie, een verlangen om te reageren op de emotie van iemand.
(referenties:
- Psychological Science, 1 juni 2017, doi: 10.1177/0956797617697444,
- Molecular Psychiatry, 6 juni 2017, doi: 10.1038/mp.2017.122)