Link tussen depressie en ontsteking wordt steeds waarschijnlijker
Onderzoekers van het Inserm zijn uitgegaan van een hypothese die steeds aannemelijker wordt: de reden waarom iemand slecht in zijn vel zit zou niet alleen psychologisch zijn maar ook te maken hebben met een inflammatoire reactie. Om een bevestiging te vinden voor dit fysiologische spoor hebben ze de stalen van 54 patiënten met mastocytose vergeleken met die van 54 gezonde volwassenen met hetzelfde profiel (leeftijd, geslacht, enz.).
Waarom hadden ze belangstelling voor een ziekte die meestal niet meer ongemak veroorzaakt dan jeuk, astma en spijsverteringsproblemen? Omdat ze wordt gekenmerkt door een te hoge activiteit van mestcellen die te veel ontstekingsstoffen vrijgeven, en vooral omdat de helft van de patiënten die erdoor getroffen worden net depressieve symptomen heeft.
Het was geen verrassing dat de auteurs tot de conclusie kwamen dat patiënten met mastocytose in het bloed minder serotonine hadden, een neurotransmitter waarvan men de concentratie in de hersenen probeert te verhogen met de huidige antidepressiva. Maar het was wel een verrassing dat ze hogere waarden van neurotoxische derivaten van tryptofaan, zoals chinolinezuur, aantroffen. Het lichaam metaboliseert tryptofaan in serotonine. In de plaats van afgebroken te worden om serotonine aan te maken, lijkt tryptofaan hier dus te worden omgezet in dit soort neurotoxische verbindingen, een mechanisme dat mogelijk te wijten is aan de cytokines (ontstekingsstoffen) die de mestcellen vrijgeven.
Deze resultaten openen twee nieuwe therapeutische richtingen. De meest veelbelovende is de toepassing van ketamine, een anestheticum dat de effecten van chinolinezuur blokkeert. De tweede is het effect onderzoeken van stoffen die kunnen voorkomen dat de mastocyten hun inflammatoire stoffen vrijgeven.