Meerdere subtypes van de ziekte van Parkinson
Het wordt almaar duidelijker dat de ziekte van Parkinson niet één enkele entiteit is. Er blijken verschillende subtypes te bestaan. Het is belangrijk dat onderscheid te maken om een beter inzicht in de aandoening te krijgen en om de patiënten beter te kunnen behandelen.
Zweedse vorsers hebben een retrospectief cohortonderzoek uitgevoerd in Montreal, Quebec. Tussen 2005 en 2013 hebben ze 113 patiënten met een idiopathische ziekte van Parkinson in de studie opgenomen. De onderzoekers hadden bij de inclusie informatie verzameld over de ernst van de motorische stoornissen, de motorische complicaties, subtypes, kwantitatieve tests, psychiatrische verschijnselen, de reukzin, het kleurenzicht, slaapparameters en neurocognitieve tests. Na een follow-up van 4,5 jaar konden 76 van de 113 patiënten opnieuw worden geëvalueerd. De auteurs hebben ook samengestelde indices opgesteld van de motorische symptomen, de motorische tekenen, de cognitieve functies en andere niet-motorische verschijnselen.
De patiënten waren gemiddeld 66,7 jaar oud. 64,6% was van het mannelijke geslacht. De significantste criteria om de patiënten te karakteriseren waren orthostatische hypotensie, lichte stoornissen van de cognitieve functies, slaapstoornissen, depressie, angst en de scores op de Parkinson's Disease Rating Scale (deel II en III). De artsen hebben zo drie subtypes kunnen omschrijven: patiënten met motorische symptomen en weinig progressie, patiënten met een diffuse, ernstige aantasting en patiënten in een intermediair stadium. Niettegenstaande een vergelijkbare leeftijd en eenzelfde handicap vertoonden de patiënten met het diffuse/maligne fenotype vaker een lichte cognitieve disfunctie, orthostatische hypotensie en afwijkingen van de REM-slaap bij inclusie in de studie en een snellere aftakeling van de cognitieve functies (OR = 8,7), de andere niet-motorische symptomen (OR 10,0), de motorische tekenen (OR 4,1), de motorische symptomen (OR 2,9) en het samengestelde eindpunt (OR 8,0).
Het is dus essentieel om de patiënten met een fenotype dat sneller evolueert naar een sterke aftakeling dan de andere, van dichtbij te volgen.