ADHD: rol van genetica en omgevingsfactoren
Aandachtstekort-hyperactiviteitsstoornis is gedeeltelijk hereditair. Volgens de internationale groep auteurs van deze studie is het echter niet duidelijk wat de respectieve rol van genetische en omgevingsfactoren is.
Een groep Britse, Nederlandse, Canadese en Franse auteurs heeft een studie uitgevoerd om de interindividuele verschillen uit te leggen door genetische en omgevingsfactoren bij de ontwikkeling van symptomen van ADHD van de kinderjaren tot de adolescentie. De symptomen die op jonge leeftijd optreden, kunnen immers mettertijd verdwijnen, maar ze kunnen ook aanhouden. Als we dat fenomeen beter zouden begrijpen, zouden we de prognose beter kunnen inschatten en zouden we eventueel een betere behandeling kunnen uitwerken.
De vorsers hebben daarvoor een prospectieve studie uitgevoerd bij 8.395 tweelingen van de studie Twins Early Development Study, die tussen 1994 en 1996 in Engeland en Wales werden gerekruteerd. De gegevens werden verzameld tussen 2002 en 2004, toen de kinderen 8 jaar waren, en tussen 2011 en 2013, toen ze 16 jaar waren. De symptomen van ADHD werden geanalyseerd volgens de definitie van de DSM-IV.
De curve van de hyperactiviteit en de impulsiviteit daalde van 6 op de leeftijd van 8 jaar tot 2,9 op de leeftijd van 16 jaar. De evolutie verschilde echter sterk van individu tot individu, wat vooral afhing van genetische factoren. Meer dan de helft van de genetische variaties was specifiek voor de ontwikkelingscurve en hing niet af van het initiële niveau van impulsiviteit of hyperactiviteit.
Het aandachtstekort daarentegen verminderde minder: van 5,8 tot 4,9 tijdens diezelfde periode. Andermaal bleken genetische factoren een belangrijke rol te spelen.
De auteurs denken dan ook dat genetische factoren belangrijke invloed uitoefenen bij dergelijke patiënten. Die genetische invloeden zijn vaak specifiek en hangen niet af van andere factoren. Verschillende genen kunnen daarbij meespelen en dat zou verklaren waarom de symptomen bij sommige kinderen verdwijnen en bij andere niet. Bij medische beeldvorming werd aangetoond dat onafhankelijke corticale trajecten een rol spelen bij het persisteren of verergeren van de symptomen. Dat weerspiegelt waarschijnlijk die genetische variabiliteit. De studie toont aan dat afstammelingen van patiënten met een voorgeschiedenis van ADHD zouden moeten worden gevolgd om de gevolgen van ontwikkeling van de ziekte in de mate van het mogelijke tegen te gaan.