Elektroconvulsieve therapie: de patiënten goed selecteren
Depressie heeft een bewezen impact op de hersenen, maar het is moeilijk te voorspellen welke patiënten op deze of gene behandeling zullen reageren. Een groep van de University of California heeft onlangs aangetoond dat je wel kan voorspellen of elektroconvulsieve therapie efficiënt zal zijn of niet en heeft onderzocht welke structuren invloed hebben op de wijze waarop patiënten positief of negatief zullen reageren op omgevingsfactoren.
De onderzoekers hebben gezocht naar veranderingen van de hippocampus en de amygdala bij 43 patiënten met een depressie in engere zin. Ze hebben een CT-scan uitgevoerd voor de eerste sessie van elektroconvulsieve therapie, na de tweede sessie en een week na beëindiging van de elektroconvulsieve therapie. Ze hebben ook tweemaal een CT-scan uitgevoerd bij 32 controlepersonen met vergelijkbare demografische kenmerken. Ze wilden daarbij vooral nagaan in welke mate structurele veranderingen de respons op elektroconvulsieve therapie kunnen voorspellen.
Patiënten met een depressie in engere zin hadden aanvankelijk een significant kleinere hippocampus dan de controlepersonen (p < 0,04). Zowel de hippocampus als de amygdala werd groter na de elektroconvulsieve therapie (p < 0,001). Dat ging gepaard met een significante verbetering van de symptomatologie (p < 0,01).
De patiënten die voor de elektroconvulsieve therapie een kleinere hippocampus hadden, reageerden er minder goed op. Dat betekent dat de grootte van de hippocampus kan voorspellen of de patiënt al dan niet op een elektroconvulsieve therapie zal reageren. De auteurs willen nu de neuroplasticiteit van die structuren verder onderzoeken om een score op te stellen teneinde recidieven beter te kunnen voorspellen.