Van symptomen tot functioneren
Kinderen en volwassenen met een autismespectrumstoornis vertonen vaak een zekere rigiditeit ten aanzien van regels. Deze studie heeft het verband onderzocht tussen de ernst van de symptomen en het adaptieve functioneren, twee fundamentele domeinen wat het fenotype van autismespectrumstoornis betreft. Blijkbaar was dat nog nooit gedaan.
De meeste kinderen met een autismespectrumstoornis vertonen levenslang min of meer ernstige problemen bij het spreken en het onderhouden van sociale contacten, ze leren minder vlot en vertonen problemen bij de dagelijkse activiteiten. Canadese vorsers hebben het traject onderzocht van 421 kinderen bij wie een autismespectrumstoornis werd gediagnosticeerd tussen de leeftijd van 2 en 4 jaar, voor ze naar school gingen. De kinderen (355 jongens) waren gemiddeld 39,85 maanden oud. De gegevens werden verzameld tot de leeftijd van 6 jaar.
De auteurs beschrijven twee verschillende trajecten naargelang van de ernst van de symptomen. 11,4% van de kinderen vertoonde weinig belangrijke symptomen en kende een gunstige evolutie. 88,6% van de kinderen vertoonde ernstige stoornissen en die verbeterden niet. De kinderen werden in drie groepen ingedeeld naargelang van het adaptieve functioneren: groep 1 (29,2%) functioneerde vrij zwak en ging er nog verder op achteruit; groep 2 (49,9%) gaf blijk van een matig goed adaptief functioneren en kende een stabiele evolutie; en groep 3 (20,9%) functioneerde het best en evolueerde in gunstige zin. Verrassend is wel dat er maar een zwakke correlatie werd vastgesteld tussen de ernst van de symptomen en het adaptieve functioneren. Het geslacht voorspelde de ernst van de symptomen het best. Meisjes vertoonden minder problemen dan jongens. Ook de leeftijd op het ogenblik dat de diagnose werd gesteld, het spraakvermogen en de cognitieve score hadden directe invloed op de evolutie van het kind.
Deze studie toont andermaal aan dat autismespectrumstoornis een heterogene aandoening is waarvan de evolutie wisselend kan zijn. Ook blijkt er zelden een verband te bestaan tussen de ernst van het syndroom en de mate van adaptief functioneren. Daarom is flexibiliteit bij de interventies volgens de auteurs essentieel en moet je terzelfder tijd de symptomen en het adaptieve functioneren aanpakken naargelang van de mogelijkheden van het kind.