Zelfmoord: vraag het aan de genen
Het onderzoek van genetische en epigenetische factoren gaat er met rasse schreden op vooruit. Sommigen denken zelfs dat die factoren (gedeeltelijk) zelfmoord zouden kunnen verklaren. Verschillende studies wijzen er immers op dat interacties tussen genetische en omgevingsfactoren een verklaring vormen voor zelfmoordgedrag.
Deze studie heeft gezocht naar de genen en epigenetische factoren die geassocieerd zijn met zelfmoordgedrag. Ter herinnering, de epigenetica is het geheel van moleculaire mechanismen die de expressie van een gen kunnen beïnvloeden. Dat kan te wijten zijn aan de omgeving en/of het gedrag van het individu. Met andere woorden, wat in de genetische code staat, is geen fataliteit, maar kan positief of negatief worden beïnvloed door onze handelwijze.
Om mogelijke interacties tussen genen en zelfmoordgedrag op te sporen, hebben de vorsers postmortaal het methyleringsprofiel van de genen in neuronen en gliacellen bepaald in 3 groepen. Ze hebben ook het verband onderzocht tussen de genexpressie, stress, angst en de cortisolspiegel in het speeksel in drie groepen van levende personen.
Bij postmortaal onderzoek werd een correlatie met methylering van het SKA2-gen vastgesteld. Dat werd bevestigd bij onderzoek van patiënten met zelfmoordideeën. De expressie van SKA2 was significant lager bij die patiënten en ging gepaard met een genetische en epigenetische variatie van rs7208505, een single nucleotide polymorphism (SNP). Dat SNP zou ook invloed hebben op de cortisolconcentratie. SKA2 vertoonde een significante interactie met angst en stress, wat een verklaring zou vormen voor ongeveer 80% van het zelfmoordgedrag en het overgaan tot de daad.