Lichaamsbeweging en depressie: de kip of het ei?
Er is een verband tussen lichaamsbeweging en depressieve symptomen. Maar het is nog niet duidelijk wat het primum movens is: de fysieke activiteit of de depressie.
Om daar een antwoord op te vinden, hebben Canadese en Britse vorsers een studie uitgevoerd bij mensen van 23-50 jaar. Ze zijn daarvoor uitgegaan van de gegevens van de British Birth Cohort, een groep mensen die in een bepaalde week in maart 1958 zijn geboren en die gedurende 50 jaar werden gevolgd. In het totaal ging het om ongeveer 11.000 mensen. Bij die mensen werden de symptomen van depressie en de fysieke activiteit geregistreerd op de leeftijd van 23, 33, 42 en 50 jaar.
Symptomen van depressie werden gemeten met de Psychological subscale of the Malaise Inventory en de mate van lichaamsbeweging werd beoordeeld met een vragenlijst. De vorsers vonden een tendens tot minder symptomen van depressie naarmate de hoeveelheid lichaamsbeweging toenam, ongeacht de leeftijd. Op de leeftijd van 50 jaar was het gemiddelde aantal symptomen van depressie 0,06 punten lager bij een hogere frequentie van lichaamsbeweging. Een longitudinale analyse toonde aan dat frequentere lichaamsbeweging het risico op symptomen van depressie verlaagde, ongeacht de leeftijd van de patiënt.
Mensen die inactief waren op de leeftijd van 23 jaar en vijf jaar later nog altijd inactief waren, vertoonden geen verandering van het niveau van symptomen van depressie. Bij de proefpersonen die dan 3x/week lichaamsbeweging zijn gaan nemen, daalde het gemiddelde aantal symptomen met 0,18, dus een daling met 19%.
De onderzoekers hebben ook aangetoond dat mensen van 23 jaar die geen symptomen van depressie vertoonden, meer lichaamsbeweging namen dan mensen met één of twee symptomen van depressie.
Het verband tussen lichaamsbeweging en depressieve symptomen is dus bidirectioneel. Fysieke activiteit verlaagt het risico op ontwikkeling van symptomen van depressie, en symptomen van depressie kunnen mensen ervan weerhouden om lichaamsbeweging te nemen.