Vaccin en multiple sclerose: begin van uitleg of einde van een mythe?

Het mogelijke verband tussen vaccinatie en het optreden van multiple sclerose is één van de stokpaardjes van de antivaccinatiebewegingen. Twee feiten kunnen dan wel geassocieerd zijn, maar daarom hoeft er nog geen oorzakelijk verband te bestaan. Een Amerikaanse studie is het eens gaan uitpluizen.
De Californische groep heeft onderzocht of er een oorzakelijk verband bestaat tussen vaccinatie in het algemeen en het optreden van een demyelinisatiesyndroom. Ze heeft dat niet gedaan om actie te voeren tegen vaccinatie. Het aantal mensen dat wordt gevaccineerd, is echter zeer hoog. Zelfs een lichte stijging van het risico op een dergelijk syndroom te ontwikkelen zou dus grote invloed kunnen hebben op de volksgezondheid.
Ze hebben hun studie uitgevoerd met twee vaccins die al jaren met een schuin oog worden bekeken: het vaccin tegen hepatitis B (HBV) en het vaccin tegen het humane papillomavirus (HPV). In de computerdossiers van Zuid-California van 2008 tot 2011 zijn ze gaan zoeken welke mensen al dan niet gevaccineerd waren. In die gegevensbank werden ook de gegevens van specialisten in multiple sclerose vermeld. De patiënten met multiple sclerose werden dan gematcht met vijf controlepersonen van dezelfde leeftijd, hetzelfde geslacht en woonachtig in hetzelfde gebied. De resultaten werden ook gecorrigeerd voor het ras, het gebruik van gezondheidszorg, de comorbiditeit en infecties voor het optreden van de eerste symptomen.
Uiteindelijk hebben de onderzoekers 780 MS-patiënten en 3.885 controlepersonen geselecteerd voor hun studie. 92 MS-patiënten en 459 controlepersonen kwamen in aanmerking voor vaccinatie tegen HPV aangezien ze 9 tot 26 jaar oud waren. Tot drie jaar na de vaccinatie werd geen verband waargenomen tussen vaccinatie tegen het hepatitis B-virus, HPV of andere vaccinaties en het optreden van een demyeliniserende aandoening. Op zeer korte termijn (30 dagen) daarentegen werd een hoger risico op optreden van een demyeliniserende aandoening bij mensen jonger dan 50 jaar waargenomen, ongeacht het vaccin (OR 2,32, 95% BI 1,18-4,57).
Volgens de vorsers betekent dat dat het kortetermijneffect van de vaccinatie een weinig symptomatische ziekte kan onthullen en getuigt dat niet van een effect van de vaccinatie zelf. Ze zijn dan ook de mening toegedaan dat de regels voor vaccinatie niet hoeven te worden gewijzigd.