Markers van een normale veroudering?
Vorsers uit Boston hebben geprobeerd om de betekenis te achterhalen van de bèta-amyloïdplaten en neurodegeneratie (ND) die kunnen worden vastgesteld bij neurobeeldvorming. Ze hebben onderzocht of die twee factoren al dan niet correleerden met de normale achteruitgang van de cognitieve functies.
Ze hebben voor hun studie 166 mensen (van wie 92 vrouwen) gerekruteerd met een mediane leeftijd van 74 jaar die een normale achteruitgang van de cognitieve functies vertoonden (CN). Bèta-amyloïdplaten (AB) werden opgespoord met een PET-scan en neurodegeneratie werd vastgesteld door meting van het volume van de hippocampus en het glucosemetabolisme. Op grond van die resultaten werden de proefpersonen in vier groepen ingedeeld: Aβ-/ND- (graad 0); Aβ+/ND- (graad 1); Aβ+/ND+ (graad 2); en mensen zonder ziekte van Alzheimer met een andere aandoening (Aβ-/ND+).
59,6% van de Aβ+ proefpersonen die een normale achteruitgang van de cognitieve functies vertoonden, was ND+; bij de Aβ- proefpersonen was dat maar 31,9%. Met andere woorden, CN/Aβ+ mensen lopen drie maal meer kans om een neurodegeneratieve stoornis te ontwikkelen. Alleen bij de Aβ+/ND+ proefpersonen werd mettertijd een aftakeling van de cognitieve functies waargenomen en bij die proefpersonen gingen de cognitieve functies meer achteruit dan in onverschillig welke andere groep van patiënten. Bij evaluatie van de cognitieve functies werd een significante interactie waargenomen tussen Aβ en ND. Dat bewijst dat de cognitieve functies sterker waren achteruitgegaan dan als Aβ en ND een louter additief effect zouden hebben (p = 0,04).
De auteurs concluderen dat de cognitieve functies sneller zullen aftakelen bij mensen die én bèta-amyloïdplaten én neurodegeneratieve afwijkingen vertonen. Die twee elementen zijn dus potentiële targets bij de secundaire preventie teneinde verergering naar symptomatische stadia van de ziekte van Alzheimer af te remmen.