Multiple sclerose: de te volgen weg
Stapproblemen zijn frequent bij patiënten met multiple sclerose. Vormen ze een graadmeter van verergering van de ziekte?
Vorsers hebben het verband onderzocht tussen de stapsnelheid en de lichamelijke vorm van de patiënten. Ze hebben dat gedaan om de klinische betekenis van de stapsnelheid in de dagelijkse praktijk te bepalen.
Daarvoor hebben ze de gegevens doorgenomen van drie klinische studies: de AFFIRM-studie met natalizumab, de SENTINEL-studie met natalizumab al dan niet in combinatie met interferon bèta-1a en de IMPACT-studie met Avonex. Ze hebben daarbij de veranderingen op de SF-36-PCS-schaal (Physical Component Score-36), die de lichamelijke conditie evalueert, en de snelheid waarmee de patiënt een afstand van 7,5 m kon afleggen (timed 25-Foot Walk test), geëvalueerd na twee jaar.
De drie studies samen telden 2.549 patiënten. In het begin was er een duidelijke correlatie tussen de resultaten van de twee schalen. In de placebogroepen correleerde de percentuele verandering van de stapsnelheid na twee jaar ook met de verandering van de SF-36-PCS-score. Ook bij een gegeven patiënt correleerden de veranderingen van de twee scores met elkaar. Bij de patiënten in de placebogroep was de SF-36-PCS-score 27,5% verslechterd na verloop van twee jaar. De stapsnelheid was 21,8% verslechterd na twee jaar, maar slechts 5,4% bij de patiënten bij wie de SF-36-PCS-score niet was verslechterd.
Volgens de auteurs leert die studie twee dingen. Ten eerste, de stapsnelheid correleert goed met de fysieke conditie: een daling met 20-25% wees op een klinische achteruitgang van de ziekte. Ten tweede, een daling van de stapsnelheid met 20-25% is dus een klinisch significante graadmeter voor een verergering van de ziekte die in toekomstige klinische studies bij multiple sclerose zou kunnen worden gebruikt.