Geweld en delinquentie: het Nederlandse voorbeeld (APA 2014)
Op het congres van de APA werden ook heel wat Europese studies gepresenteerd. Zo heeft Machteld Hoeve van de universiteit van Amsterdam tekst en uitleg gegeven over de resultaten van het onderzoek dat zij uitvoert naar de factoren die jongeren aanzetten tot geweld en delinquentie.
Haar groep heeft de mechanismen onderzocht van het optreden van gewelddadig gedrag bij adolescenten die tijdens de kinderjaren mishandeld werden. De vorsers hebben daarbij vooral onderzocht of er een verband bestaat tussen mishandeling, geestesstoornissen en agressieve daden. De Nederlandse vorsers hebben meerdere geestesstoornissen teruggevonden bij die jongeren: misbruik van drugs en alcohol, angst, zelfmoordgedachten en somatische klachten. Ze maken een onderscheid tussen agressie in reactie op een gewelddadige handeling en proactieve agressie. Met hun onderzoek hopen de vorsers te komen tot een efficiënte preventie van die daden.
De studie werd uitgevoerd bij 767 adolescenten van gemiddeld 16,7 jaar die in gesloten centra verbleven. Er werd een lichamelijk onderzoek uitgevoerd bij opname in het centrum en de adolescenten vulden dan ook een vragenlijst in over mishandeling tijdens de kinderjaren, geestesstoornissen en agressie.
Er werd een duidelijk verschil gezien tussen reactieve en proactieve agressie. Bij reactieve agressie bestaat er een direct verband tussen mishandeling, het bestaan van een of meer geestesstoornissen en een gewelddadige daad. Bij proactieve agressie bestaat er een direct verband tussen mishandeling en proactief geweld zonder aanwijzingen van een psychiatrische aandoening buiten misbruik van alcohol en drugs.
De oorzaken van de twee types van agressie verschillen dus. Dat betekent dat de behandeling en de preventie ook moeten beantwoorden aan de behoeften. Die patiënten worden nu verder gevolgd en latere gegevens zullen waarschijnlijk nog andere delicate aspecten aan het licht brengen. Bij jonge meisjes is het moeilijker om dergelijke studies uit te voeren omdat zij minder vaak in dergelijke centra worden opgenomen. Hun aantal is dus kleiner. Toch denkt M. Hoeve dat het toch de moeite zou lonen om dergelijke meisjes te onderzoeken, al was het maar bijvoorbeeld met een later moederschap in het achterhoofd.