Verslaafd aan de liefde? (APA 2014)
Liefde maakt blind, hoor je weleens zeggen, maar liefde kan ook afhankelijkheid in de psychiatrische betekenis van het woord veroorzaken. Vineeth John van de Universiteit van Texas (Houton, TX) heeft de literatuur doorgenomen en is daarbij tot verrassende vaststellingen gekomen.
Dr. Vineeth John definieert liefdesverslaving (love addiction) als een gedrag dat wordt gekenmerkt door een overmatige, intrusieve, niet-aangepaste romantische belangstelling voor een of meerdere partners. Liefdesverslaving is dus niet hetzelfde als bijvoorbeeld seksverslaving, hoewel beide samen kunnen voorkomen. De gevolgen van liefdesverslaving verschillen niet sterk van die van andere verslavingen: geen belangstelling voor andere dingen en verlies van controle over zichzelf, wat negatieve gevolgen heeft voor de persoon zelf, voor de geliefde en/of de omgeving. Die verslaving veroorzaakt reëel psychisch lijden en heeft een belangrijke functionele impact.
Op grond van zijn literatuurreview en zijn eigen praktijk denkt Vineeth John dat liefdesverslaving een stoornis is die kenmerken vertoont van een obsessieve compulsieve stoornis, een stemmingsstoornis en een psychose.
Hij vergelijkt het met mensen die drugs gebruiken. Beiden vertonen soortgelijke gedragingen. Mensen met een liefdesverslaving vertonen episoden van euforie, maar ook van angst en anhedonie. Ze kunnen er zich niet van weerhouden om dezelfde gedragingen te herhalen ondanks het gevaar dat ze daarbij lopen en hoewel wat ze voelen, misschien niet overeenstemt met de werkelijkheid. De neurobiologie geeft hem gelijk. Studies wijzen immers op een activering van de hersenstam, de rechter area tegmentalis en de nuclei caudati. Al die structuren spelen een rol bij het beloningscircuit, het aanleren en het geheugen. Vier stoffen spelen mee bij die verslaving: dopamine, opiaten, vasopressine en oxytocine.
Er is dus ruimte voor behandeling van die patiënten. Volgens V. John kunnen SSRI's, antidepressiva, stemmingsstabilisatoren zeer nuttig zijn evenals antipsychotica, naltrexon en buprenorfine. Psychotherapie blijft evenwel belangrijk. Cognitieve en gedragstherapie, hulpgroepen en psychodynamische psychotherapie blijken ook efficiënt te zijn. Dr. John pleit voor het opstellen van diagnostische criteria en richtlijnen voor de behandeling van die patiënten.