Sporten is goed, maar welke prijs betalen de hersenen daarvoor?
De Olympische Winterspelen, de Super Bowl, rugby ... leveren heel wat craniale traumata op met min of meer belangrijke gevolgen op lange termijn. Vorsers hebben onderzocht of de prognose van die patiënten kan worden voorspeld met biomarkers.
Er bestaan maar weinig biomarkers waarop we ons kunnen baseren om een klinische beslissing te nemen en een diagnose te stellen na een trauma. Zweedse specialisten hebben een multicentrische studie uitgevoerd bij 12 teams van de Zweedse professionele ijshockeyliga tijdens het seizoen 2012-2013. Alle spelers werden onderzocht voor het begin van het seizoen. Bij 47 spelers van 2 van de 12 ploegen werd bloed afgenomen. Tussen september 2012 en januari 2013 hebben 35 spelers een trauma van het hoofd opgelopen. Bij 28 van die 35 spelers werden bloedmonsters afgenomen 1, 12, 36 en 144 uur na het ongeval en net voor ze opnieuw begonnen te spelen, voor bepaling van de concentraties van het tau-proteïne, S-100 (een marker van letsels van de astroglia) en neuronspecifiek enolase in het plasma en het serum.
De resultaten spreken voor zich. Alle spelers die een trauma van het hoofd hadden opgelopen, vertoonden een verdubbeling van de tau-spiegel: van 4,5 tot 10 ng/ml (p < 0,001) en een stijging van de S-100-spiegels. De concentraties waren het hoogst onmiddellijk na het ongeval en daalden daarna geleidelijk. De concentratie van neuronspecifiek enolase veranderde niet.
Die sporters zouden nu verder moeten worden gevolgd om na te gaan wat de klinische betekenis ervan is op lange termijn en of een stijging van de concentraties van het tau-eiwit en/of S-100 een prognostische waarde heeft. In afwachting daarvan zouden we die markers eventueel kunnen bepalen om de ernst van de letsels te evalueren en om na te gaan of de patiënt geschikt is om de sport te hervatten of niet.