Melanopsine regelt cognitieve functies
Vorsers van de Universiteit van Luik en van het Inserm hebben recent aangetoond dat het effect van licht op de hersenen deels gemedieerd wordt door melanopsine. Dat wijst erop dat melanopsine belangrijk is voor de cognitieve functies.
Melanopsine, een fotopigment, is in 2002 ontdekt in de ganglionaire cellen van het netvlies. We wisten al dat melanopsine niet-visuele functies regelt, zoals de synchronisatie van de biologische ritmes door het licht, de slaap-waakcyclus, de waakzaamheid en de constrictie van de pupillen. Melanopsine verschilt dus van de staafjes en de kegeltjes, aangezien het eigenschappen heeft die gelijken op de fotoreceptoren van ongewervelden, en bijzonder gevoelig is voor blauw licht.
In vroegere studies hadden wetenschappers van het Inserm al aangetoond dat melanopsine een rol kan spelen bij het lichtgeheugen, met andere woorden dat het de "afdruk" van een vroegere blootstelling aan licht kan bewaren.
Samen met hun Luikse collegae hebben ze de unieke lichtontvankelijke eigenschappen van melanopsine onderzocht door middel van functionele MRI. Ze hebben daarbij kunnen aantonen dat het effect van het licht op de hersenzones die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van cognitieve taken, afhangt van de specifieke kleur van het licht dat de proefpersonen een uur voordien hadden gekregen.
De ogen van de mens zouden dus net zoals bij ongewervelde dieren beschikken over een systeem dat de cognitieve functies regelt. Die bevindingen ondersteunen het idee dat integratie van blootstelling aan licht over lange perioden kan helpen om de cognitieve functies te verbeteren.
(referentie: PNAS, DOI: 10.1073/pnas.1320005111)