Multiple sclerose: vitamine D belangrijk zelfs tijdens de ziekte
Patiënten met multiple sclerose (MS) vertonen vaak vitamine D-insufficiëntie. Het is evenwel niet duidelijk of dat invloed heeft op de evolutie van de MS.
Een internationale groep vorsers heeft de serumconcentraties van vitamine D gemeten om na te gaan of die de ziekteactiviteit voorspellen bij patiënten met een klinisch geïsoleerd syndroom (CIS), een voorloperstadium van multiple sclerose (MS). Die studie, de Betaferon/Betaseron in Newly Emerging multiple sclerosis For Initial Treatment study, is een gerandomiseerde studie die oorspronkelijk was opgezet om een vroege behandeling met interferon bèta-1b bij patiënten met een CIS te vergelijken met een late behandeling. De vitamine D-spiegels werden gemeten na 6, 12 en 24 maanden. Bij 465 van de 468 patiënten werd de vitamine D-spiegel minstens één keer gemeten en bij 334 patiënten werd de vitamine D-spiegel gemeten na 6 en na 12 maanden. De patiënten werden gedurende 5 jaar gevolgd (klinisch en MRI).
Daarbij werd gekeken naar het optreden van nieuwe actieve letsels, een toename van het volume van de T2-letsels, het hersenvolume, het aantal recidieven en de evolutie van de handicap. Een hoge vitamine D-spiegel correleerde met een lagere MS-activiteit en een minder snelle progressie. Een stijging van de gemiddelde vitamine D-concentratie met 50 nmol/l of hoger tijdens de eerste 12 maanden ging gepaard met een daling van het aantal nieuwe letsels en recidieven met 57% en een 25% geringere jaarlijkse toename van het volume van T2-letsels. Die resultaten bleven gehandhaafd na 24 en na 60 maanden. Bij patiënten die met interferon-bèta worden behandeld, zijn lage vitamine D-spiegels in het begin van de ziekte een sterke risicofactor voor activiteit en progressie van de MS op lange termijn.