Een ijsberg op school?
Een Italiaans onderzoek doet uitschijnen dat dyslexie nog veel te weinig herkend wordt. Wat we waarnemen zou maar het topje van de ijsberg zijn. De resultaten van die transalpiene studie moeten ook ons interpelleren. Het gaat immers om een aandoening met een uitgesproken weerslag op de verstandelijke ontwikkeling van kinderen.
Men is het er grotendeels over eens dat dyslexie één van de meest voorkomende neurologische gedragsstoornissen bij kinderen is. Toch hebben we nog steeds geen duidelijk idee over de frequentie. In Italië wilden Barbiero et al. harde cijfers hierover aandragen en voerden daarom een enquête uit binnen een niet geselecteerde populatie. Maar om dergelijke gegevens op een betrouwbare wijze te verzamelen moesten ze eerst een definitie vooropstellen. Ze hadden ook diagnostische criteria en een betrouwbare opsporingsmethode nodig.
Drie niveaus
De auteurs voerden een cross-sectionele studie uit bij 94 klassen van het vierde leerjaar in de Noord-Italiaanse regio Friuli-Venezia Giulia. Ze rekruteerden op die manier 1.774 kinderen van acht tot tien jaar en vonden de ouders van 1.528 kinderen bereid om deel te nemen aan een enquête. De onderzoekers stelden ook uitsluitingscriteria op om vertekenende factoren te vermijden. Zo sloten ze kinderen uit waarbij medische professionelen een mentale achterstand hadden opgetekend (op basis van de wettelijke criteria die van toepassing zijn in Italië), kinderen van een andere nationaliteit dan de Italiaanse en kinderen die sinds hun eerste schooljaar meer dan twee maanden afwezig waren geweest van school. Na het toepassen van de uitsluitingscriteria bleven er 1.357 kinderen over in het staal. Binnen die groep bedroeg de prevalentie naar schatting 3,1 % of 3,2 %, afhankelijk van de vooropgestelde criteria. Bij twee op drie kinderen met dyslexie was de aandoening niet eerder opgespoord.
Drie fasen
De auteurs voerden achtereenvolgens drie screenings uit: de eerste twee op school en de derde binnen de neuropsychiatrische afdeling van een universitair kinderziekenhuis. Het eerste niveau van de screening verliep met behulp van vragenlijsten. De ouders vulden daarbij een korte anamnestische vragenlijst in over de taal die thuis gesproken werd, het beroep van de ouders, hun opleidingsniveau, de gezondheid van het kind, en eventuele reeds herkende leerproblemen en handicaps. De leerkracht vulde eveneens een vragenlijst in voor elk kind dat hij opvolgde. De kinderen zelf kregen een dictee. Het tweede screeningsniveau bestond uit het lezen van letterreeksen met een betekenis ('woorden') en zonder betekenis ('non-woorden'). De onderzoekers maakten gebruik van een gespecialiseerde vragenlijst, afgeleid van de Battery for the assessment of Developmental Dyslexiaand Dysorthographia en gingen ook de woordenschat na. Op het derde niveau kwamen nog specifiekere testen aan bod. De prevalentie van dyslexie werd gedefinieerd als het aantal kinderen dat tot op het derde screeningsniveau positief bleef, gedeeld door het totaal aantal kinderen die deelnamen aan het onderzoek.
Ernstig nemen
De cijfers uit die studie suggereren dat de prevalentie van dyslexie nog sterk onderschat blijft in Italië. Het is belangrijk om de ware cijfers te kennen, zodat men maatregelen kan treffen en middelen kan vrijmaken voor een specifieke begeleiding van die kinderen. Een beleid dat cruciaal is voor hun toekomst. We mogen ons trouwens afvragen hoe de zaken er bij ons voor staan. Uiteraard geven onze leerkrachten aandacht aan dyslexie en in de eerste schooljaren komen ze ook heel wat gevallen op het spoor. Maar er is geen reden om aan te nemen dat de leerkrachten in Italië minder waakzaam zouden zijn dan bij ons. De cijfers uit deze studie mogen dus ook in ons land bezorgdheid wekken.