Nieuwe orale therapieën MS gevalideerd
Vandaag bestaat de behandeling van multiple sclerose uit een subcutaan of intramusculair toegediende immuunmodulator (interferon) of glatirameer- acetaat. Bij progressie van de handicap kan men een immuunsuppressivum voorstellen, zoals iv natalizumab, of fingolimod per os. Wat mogen we verwachten van de nieuwe orale therapieën?
De geneesmiddelenbehandeling van multiple sclerose kent heel wat toedieningswegen, met elk hun voor- en nadelen. Naast de subcutane of intramusculaire therapieën zijn er nu ook orale behandelingen. En zoals dat tegenwoordig moet, voldoen ze ook aan de gestelde vereisten. De stof moet opgenomen zijn in twee fase III-studies, waarbij de ene studie de andere moet bevestigen. Ze moet ook getest zijn in een vergelijkende studie tegenover een referentiebehandeling, waar het nieuwe geneesmiddel zijn non-inferioriteit of superioriteit moet bewijzen.
Inwerken op transcriptiefactor
Ook BG-12 (dimethylfumaraat) komt het arsenaal van orale behandelingen voor relapsing-remitting MS aanvullen. Het is de eerste component met een bewezen inwerking op de activering van de Nrf2 transcriptiefactor pathway. Een benadering die volgens eerdere studies in staat is neuronale celdood door oxidatieve stress te voorkomen, de bloed-hersenbarrière te beschermen en het behoud van het myeline in het CZS te verzekeren. De DEFINE(5) fase III-studie, dubbelblind uitgevoerd bij 1.237 patiënten met R-MS, vergeleek BG-12 (240 mg, 2 of 3x/d) met placebo. Het primaire criterium bestond uit een terugval binnen de twee jaar, de jaarlijkse relapse rate, het tijdsverloop vóór progressie van de beperkingen en de MRI-data.
Veelbelovende toekomst
We zien vandaag dus heel wat veelbelovende gegevens voor de orale behandelingen, terwijl ook de lijst van moleculen aangroeit. Naast BG-12 en teriflunomide is er ook nog fingolimod, dat reeds gevalideerd en gehomologeerd werd. Het is de eerste stof van een nieuwe klasse geneesmiddelen, de S1P (sfingosine-1-fosfaat)-receptormodulatoren. De stof werkt in door bepaalde witte bloedcellen (lymfocyten) in de lymfeklieren vast te houden, waardoor die niet langer het centrale zenuwstelsel kunnen bereiken om daar het myeline van de zenuwvezels aan te tasten. Laquinimod doet in een extensie van de ALLEGRO-studie(7) (2 jaar + 1 jaar) de kans op progressie van de beperkingen significant afnemen (p <0,038), en dat effect is nog duidelijker als de inname begon bij de start van de studie.