Antistoffen tegen aquaporine-4 helpen diagnose Devic
De ziekte van Devic ging lange tijd door voor een gelijksoortige ziekte als MS en ze kreeg ook dezelfde therapeutische benadering. Nu wordt ze opgewaardeerd tot een aparte klinische entiteit op basis van nieuwe criteria die uitgaan van MRI- en CSV-onderzoek. Dat belooft een betere diagnose en een betere behandeling.
Neuromyelitis optica (NMO), ook gekend als de ziekte van Devic, is een zeldzame inflammatoire demyeliniserende aandoening, die minder dan 1 procent van de pathologieën van het centrale zenuwstelsel uitmaakt. Aanvankelijk gold ze als een bijzondere vorm van MS en kreeg ze dezelfde behandeling. Maar door de jaren heen vielen de klinische, epidemiologische, immunologische en pathologische verschillen niet langer te ontkennen.
Anti-aquaporine-4
Er werd een specifieke antistof geïdentificeerd, die selectief bindt aan het aquaporine-4-kanaal, een component van het dystroglycaan proteïnencomplex op de astrocyten ter hoogte van de bloed-hersenbarrière. Die anti-aquaporine-4 antistoffen zijn gericht tegen een kanaal voor het watertransport doorheen het membraan, waarvan we de ontdekking danken aan Peter Agre, winnaar van de Nobelprijs Scheikunde in 2003.
NMO als aparte klinische entiteit
Het onderscheid tussen NMO en MS is altijd moeilijk geweest, omdat beide ziekten klinisch zo gelijkend zijn. De nieuwe diagnostische criteria voor neuromyelitis optica(2) maken er een volwaardige klinische entiteit van, los van MS. Therapeutisch gezien levert dat een aanzienlijk verschil op. Het vermijdt namelijk een immunomodulerende aanpak in eerste intentie, die niet efficiënt is, en zorgt ervoor dat men snel kan overgaan tot een behandeling met corticosteroïden en tot een plasmaferese indien de myelitis corticoïdenresistent blijkt(3).