Vroege diagnose alzheimer via EEG?
De hersenactiviteit bij patiënten met een goedaardige cognitieve achteruitgang verloopt anders dan bij controlepersonen. Moeten we hierin een mogelijkheid zien voor een vroegtijdige diagnose van de ziekte van Alzheimer?
De differentiële diagnose tussen een goedaardige cognitieve achteruitgang en een beginnende ziekte van Alzheimer blijft moeilijk. Toch zou het een goede zaak zijn om de precursorstadia van alzheimer sneller te herkennen. Dat zou de patiënt meer kansen bieden om de progressie van de aandoening te vertragen en zo lang mogelijk in zijn vertrouwde omgeving te blijven.
Nieuwe analysetechniek
In een recente publicatie besloten Sweeney-Reed et al. (Duitsland en Verenigd Koninkrijk) om het probleem aan te pakken via een techniek voor EEG-analyse die nog niet eerder werd toegepast op een dergelijk probleem. Het gaat om empirische modusontleding (of EMD, voor Empirical Mode Decomposition), een algoritmische methode voor adaptieve spectrumontleding. In plaats van het signaal te analyseren in één blok, zoals bij Fouriertransformaties, bouwt men geleidelijk aan de basisfuncties op die het mogelijk maken om het bestudeerde fenomeen te beschrijven. De auteurs onderzochten op die manier EEG-tracés, de componenten ervan en hun synchronisatie in situaties van werkelijke en valse herinneringen. Dank zij die techniek konden ze de veranderingen in de pariëtale en frontale cortex opvolgen en ook de onderlinge verbindingen tussen beide regio's nagaan.
Een compensatieproces?
Zo kwamen ze erachter dat de synchronisatiefase tussen beide regio's, in termen van timing en intensiteit, anders verloopt bij personen met een goedaardige cognitieve afname dan bij de controles. De eerste groep had een minder uitgesproken frontale thèta-activiteit dan de controlegroep, hoewel vergelijkbare taken ogenschijnlijk op een vergelijkbare wijze werden uitgevoerd. Dat doet het bestaan van een compensatieproces veronderstellen. Beide groepen vertoonden een sterkere afname van de frontale activiteit bij handelingen die leidden tot valse herinneringen dan bij handelingen die beroep deden op het werkelijke geheugen (oproepen van woorden), wat doet vermoeden dat er meer zoekwerk vereist is als de persoon geen geheugenspoor kan terugvinden. Verder suggereerden significante verschillen tussen beide groepen voor de frontale alfa-activiteit dat die golven een rol spelen in het geheugen. En tenslotte bleek de fronto-pariëtale interactie significant lager te liggen bij patiënten met een goedaardige cognitieve achteruitgang.
Meer werk aan de winkel
Dit alles doet vermoeden dat een goedaardige cognitieve achteruitgang, in sommige gevallen alleszins, een vroeg stadium van de ziekte van Alzheimer kan vertegenwoordigen. Maar daarmee weten we nog steeds niet hoe we de twee vormen van elkaar kunnen onderscheiden, vermits sommige patiënten niet naar dementie zullen evolueren. Er zal dus nog meer onderzoek moeten plaatsvinden vóór we daar meer duidelijkheid over krijgen.