Multiple Sclerose: kijk ook naar de grijze stof
De letsels in de grijze stof bij multiple sclerose zouden ons iets kunnen leren over de activiteit van de ziekte en misschien ook over de efficiëntie van de behandeling.
Het is erg moeilijk, zo niet onmogelijk, om bij een patiënt met multiple sclerose (MS) de evolutie van de ziekte te voorspellen. Haast per definitie geldt MS als een ziekte van de witte stof, vermits ze vooral het myeline aantast. Maar die benadering van de ziekte laat niet toe te begrijpen hoe ze aanleiding kan geven tot bepaalde lichamelijke handicaps of zelfs psychische stoornissen. Die klassieke visie op de ziekte is daardoor de afgelopen jaren in het gedrang gekomen, zeker sinds men anatomische en histologische veranderingen kon optekenen in de grijze stof.
Specifieke auto-immuniteit
Letsels van de grijze stof in de cortex treden vaak op in de loop van MS, ongeacht de klinische vorm van de ziekte. Naarmate de aandoening vordert nemen ze toe in aantal en grootte. Die aantasting van de cortex doet zich vooral voor in de motorische regio en de gyrus cingularis. Subcorticaal zijn de letsels terug te vinden in de thalamus, de basale ganglia, de hypothalamus, de hippocampus, het cerebellum en het ruggenmerg. Vreemd genoeg is de ontsteking hier minder uitgesproken dan bij de letsels van de witte stof, en de bloed-hersenbarrière is niet doorbroken. Een auto-immuunreactie, gemedieerd door T-cellen die gericht zijn tegen contactine-2, werd specifiek geïdentificeerd in de grijze stof. Deze reactie geldt vandaag als één van de patho- fysiologische factoren die bijdragen tot de letsels van de grijze stof.
Duidelijke correlaties
De veranderingen in de grijze stof kunnen in verband gebracht worden met de cognitieve en lichamelijke handicaps bij die patiënten. Het is inderdaad aangetoond dat de corticale atrofie samenhangt met de lichamelijke beperkingen en de progressie daarvan. Meer nog, die correlatie is duidelijker dan het verband tussen letsels van de witte stof en fysieke handicap.
Een criterium voor activiteit?
Horakova et al., die zopas een overzichtsartikel publiceerden over het onderwerp, menen daarom dat we de letsels van de grijze stof kunnen zien als markers voor de activiteit van de ziekte. Die zouden de klassieke criteria uit magnetische resonantie beeldvorming, zoals globale cerebrale atrofie of T2-hyperintense afwijkingen, kunnen aanvullen. De letsels zouden zelfs kunnen dienen om het effect van de behandeling te evalueren.