Alzheimer en markers van het cerebrospinale vocht
Het gebruik van markers bij de ziekte van Alzheimer doet zijn voordeel met een beter inzicht in hun biologische betekenis en met studies die hun specificiteit en gevoeligheid evalueerden.
Het blijft moeilijk om de ziekte van Alzheimer met zekerheid vast te stellen. Alle vooruitgang in de genetica en de moleculaire biologie ten spijt, blijven het Ab42 en het tau-proteïne in het cerebrospinale vocht (CSV) de biologische markers met de hoogste gevoeligheid om de diagnose te stellen of om de ziekte te voorspellen bij lichte cognitieve stoornissen. Het Ab wordt hoofdzakelijk in de neuronen van de hersenen aangemaakt. Het is twaalf uur later terug te vinden in het CSV en vervolgens in het bloed na het passeren van de bloed-hersenbarrière. Uiteindelijk wordt de stof afgebroken door het reticulo-endotheliale systeem. Bij patiënten met de ziekte van Alzheimer vormt het Ab42 onoplosbare amyloid complexen, die zich opstapelen als de kenmerkende fibrillaire clusters van de ziekte. Het Ab42-gehalte in het CSV neemt dan af, door de verminderde klaring naar het CSV toe. Normaal neemt het gehalte aan tau-proteïne in het CSV slechts lichtjes toe met de leeftijd, terwijl het bij de ziekte van Alzheimer zo'n drie keer hoger ligt. De concentratie ervan is gerelateerd aan de neuronale degeneratie.
Specificiteit en sensitiviteit
Studies evalueerden de specificiteit en sensitiviteit van de verschillende stoffen die dienen als diagnostische markers of als voorspellers van de overgang van lichte cognitieve stoornissen naar de ziekte van Alzheimer. Shoji (Japan) bracht hierover onlangs verslag uit in de Journal of Farmacological Sciences. Het totale tau-proteïne, gemeten in het CSV, heeft een specificiteit van 90 % en een gevoeligheid van 81 %. Voor Ab42 bedraagt de specificiteit eveneens 90 %, en de gevoeligheid 86 %. De cijfers voor gefosforyleerd tau-eiwit zijn respectievelijk 92 % en 80 %. Als we de metingen voor het Ab42 en het totale tau gehalte in het CSV combineren bereiken we een specificiteit van 83 tot 100 % en een gevoeligheid van 85 tot 95 % voor de diagnose van de ziekte van Alzheimer. Wat de overgang van milde cognitieve stoornissen naar de ziekte van Alzheimer betreft: in één van de hoger vermelde studies voorspelde de verhouding totaal tau/Ab42 in het CSV 33 op de 37 gevallen die binnen het jaar naar de ziekte van Alzheimer zouden evolueren.
Nieuwe criteria
In de Verenigde Staten hebben het National Institute of Aging (NIA) en de Alzheimer's Association vorig jaar nieuwe diagnostische criteria voorgesteld voor dementie bij de ziekte van Alzheimer, voor milde cognitieve stoornissen die samenhangen met de ziekte van Alzheimer en voor preklinische Alzheimer. Het betere inzicht in de betekenis van biomarkers uit het CSV en de vooruitgang in de beeldvorming van de amyloïde stof hebben de diagnostische hulpmiddelen verfijnd. Het zijn de gegevens die we hierboven hebben samengevat. Die vooruitgang zou moeten bijdragen tot het verschijnen van nieuwe therapieën, meent Shoji. Maar er blijft scepsis heersen over de hypothese dat de bèta-amyloïd cascade een fysiopathologische rol speelt. En dat remt de progressie van klinische studies af. Meer bepaald studies die het nut willen nagaan van een vaccin tegen dit proteïne of het eventuele voordeel van y-secretase inhibitoren.