Gedrags- en psychologische problemen bij dementie
Gedrags- en psychologische problemen of neuropsychiatrische symptomen bij dementie creëren vaak een onveilige context en kunnen een goede zorg belemmeren.
Niet zo uitzonderlijk
Uit studies blijkt dat de problematiek bij ongeveer een derde van de mensen met dementie die in een woonzorgcentrum wonen, voorkomt. Wanneer ze in een gespecialiseerde instelling verblijven, neemt het aantal problemen toe tot bijna 80% en bij doormaken van een ziekte loopt dit op tot meer dan 90%. (1)
Bij al de verschillende vormen van dementie kunnen apathie, depressie, angst, agitatie, agressie en prikkelbaarheid worden gezien en vaak komen ze gelijktijdig voor. Bij alzheimer zijn er ook vaak eetstoornissen en waanideeën.
Onderliggende etiologie
In een recent overzichtsartikel (2) wordt dieper ingegaan op de onderliggende factoren voor de symptomen.
- Zo wordt depressie verklaard door stoornissen in de monoaminerge, noradrenerge en metabole routes van gamma-aminoboterzuur, maar ook atrofie van de entorinale en de anterieure cingulate cortex spelen een rol, evenals een verminderde glucoseopname in de frontale en pariëtale cortex.
- Apathie kan een oorsprong vinden in een lagere binding van dopaminetransporters en cholinerge receptoren, samen met een verminderde metabole activiteit in de anterieure cingulate cortex en de orbitofrontale cortex, en stoornissen in de mediale en inferieure frontale corticale gebieden.
- Stoornissen in de cholinerge neurotransmissie, verhoogde beschikbaarheid van D2/D3-receptoren en stoornissen in de monoaminerge (5-HT2A) neurotransmissie vormen samen met atrofie van het cingulum en de frontale gyrus, de insula, de amygdala en de hippocampus de basis voor de agitatie en agressie.
- Psychotische symptomen worden verklaard door een grotere aanwezigheid van dopamine in het striatum en grotere dichtheid van dopamine-D3-receptoren in de nucleus accumbens. Daarnaast zouden ook serotonine in de ventrale temporale cortex en het prosubiculum een rol spelen, samen met een verminderde cerebrale bloedstroom naar de gyrus angularis en de occipitale cortex, plus grotere atrofie van de neocortex, de frontale en pariëtale cortex en het cingulum.
Daarnaast spelen ook genetische (aanwezigheid van APOE-2- of 4-allel, polymorfisme van dopamine- en serotoninereceptoren), sociale en omgevingsfactoren een rol.
Beleid
Om te beginnen is een beoordeling (en behandeling) van comorbiditeiten zoals urineweginfecties, pijn of metabole stoornissen van essentieel belang, samen met een beoordeling van de omgevingsfactoren en psychosociale factoren. Gestandaardiseerde en gevalideerde schalen, waaronder de Neuropsychiatric Inventory (NPI), de Behavioral Pathology in Alzheimer’s Disease Rating Scale (BEHAVE-AD) en andere kunnen helpen bij het in kaart brengen van de symptomen. Een gestructureerde benadering (DICE: Describe, Investigate, Create, and Evaluate) kan de evaluatie en behandeling standaardiseren.
Niet-farmacologische interventies worden beschouwd als eerstelijnsbehandelingen, farmacotherapie wordt aanbevolen wanneer deze interventies geen oplossing bieden.
Referenties:
1. Tampi RR, Jeste DV: Dementia is more than memory loss: neuropsychiatric symptoms of dementia and their nonpharmacological and pharmacological management. Am J.Psychiatry 2022; 179(8): 528-543.
2. Tampi R et al. Special Report: Evidence-Based Management of Behavioral Symptoms of Dementia. Psych News 2026; 61 https://doi.org/10.1176/appi.pn.2026.08.8.2