Atriumfibrillatie met een intermediair risico op CVA
Antistollingstherapie of niet?
Atriumfibrillatie (AF) verhoogt het risico op cerebrovasculair accident (CVA). Orale anticoagulantia (NOAC) worden stellig aanbevolen bij patiënten die een hoog risico lopen (klasse I-richtlijn) en kunnen worden overwogen bij patiënten die een intermediair risico lopen (klasse IIa-richtlijn). Moet je dan een antistollingstherapie voorschrijven of niet? De SINGLE-AF-studie is de eerste gerandomiseerde studie1 die een antwoord geeft op die vraag.
Prof. Boyoung Joung (Zuid-Korea) heeft die studie uitgevoerd omdat de meeste richtlijnen een grijze zone creëren, meer bepaald: je kan een antistollingstherapie met direct werkende orale anticoagulantia overwegen bij patiënten met een intermediair risico (klasse IIa-richtlijnen).
Maar dat idee is enkel gebaseerd op observationele onderzoeken en niet op gerandomiseerde klinische studies. Deze gerandomiseerde klinische studie reikt sterkere argumenten aan dan de leeftijd of het bloedingsrisico als je moet beslissen om patiënten met een intermediair risico al dan niet te behandelen.
Een samengesteld eindpunt
De SINGLE-AF-studie is uitgevoerd bij 1.803 patiënten van gemiddeld 60 jaar met een AF die een intermediair risico op CVA liepen (CHA2DS2-VASc-score 1 bij mannen en 2 bij vrouwen). Het bloedingsrisico was laag te oordelen naar de gemiddelde HAS-BLED-score.
De patiënten werden gerandomiseerd naar een direct werkend oraal anticoagulans (apixaban, risico) of geen antistollingstherapie. Het primaire eindpunt was een samengesteld eindpunt van CVA, systemische embolie, ernstige bloeding en cardiovasculaire sterfte.
Na 24 maanden was de frequentie van optreden van een van de items van het samengestelde eindpunt 69% lager in de NOAC-groep dan in de controlegroep (0,5% vs. 1,5%, p = 0,028; HR = 0,31). Het verschil was vooral toe te schrijven aan een lagere incidentie van ischemisch CVA in de NOAC-groep (0,1%) dan in de controlegroep (1,1%).
Het gunstige effect werd teruggevonden in alle subgroepen, ongeacht de leeftijd, het geslacht, het bestaan van hypertensie of hartfalen, de HAS-BLED-score en het type atriumfibrillatie (paroxismale versus niet-paroxismale). Er is geen verschil in de incidentie van ernstige bloedingen vastgesteld tussen de twee groepen.
Een positieve studie, maar …
Volgens prof. Joung “beschikken we nu over de resultaten van een gerandomiseerde studie, en die leert dat een NOAC heilzame effecten heeft bij patiënten die een intermediair risico lopen, zonder het risico op ernstige bloedingen te verhogen”.
De studie vertoont evenwel enkele zwaktes: het absolute verschil was klein, Koreaanse patiënten, een derde van de patiënten kreeg een plaatjesaggregatieremmer … Toch nodigt de studie uit om patiënten die een intermediair risico lopen, vaker te behandelen met NOAC, maar dat betekent daarom nog niet dat NOAC de regel wordt. De studie is tegelijkertijd gepubliceerd in The New England Journal of Medicine.
Referenties
1. Young B. Anticoagulation for atrial fibrillation with intermediate stroke risk. ESC 2026.
2.Kim D, et al. N Engl J Med 2026. doi: 10.1056/NEJMoa2607978
Ontdek in onze Specialist Update Cardiologie van 6 oktober alles wat u moet weten over het laatste ESC-congres:
de rol van kunstmatige intelligentie, nieuwe aanbevelingen, de nieuwste klinische onderzoeken naar hypertrofische cardiomyopathieën, boezemfibrillatie, hartfalen, cardiovasculaire preventie, met interviews en klinische casussen.