Hiv-diagnose na de leeftijd van 50 jaar, een duidelijk stijgende tendens

Richting Italië en meer bepaald de kliniek voor infectieziekten van Perugia, hoofdstad van de provincie Perugia in Umbrië, waar een groep vorsers een onderzoek heeft uitgevoerd naar een specifieke groep hiv-geïnfecteerde patiënten, waar ten onrechte weinig over wordt gesproken: patiënten bij wie de diagnose wordt gesteld na de leeftijd van 50 jaar.
Ze zijn voor hun observationele, retrospectieve studie uitgegaan van de klinische gegevens van alle patiënten bij wie tussen januari 2008 en december 2018 een diagnose van hiv-infectie werd gesteld in de kliniek voor infectieziekten in Perugia. 101 (19,7%) van de 551 patiënten bij wie in die periode een diagnose van hiv-infectie was gesteld, waren 50 jaar of ouder. Een interessante observatie van onze Italiaanse collegae is verder dat het percentage 50-plussers bij wie een diagnose van hiv-infectie werd gesteld, de laatste jaren sterk is gestegen: tot 34,5% in 2018. De vorsers hebben heel wat klinische en demografische gegevens over die patiënten verzameld. We onthouden vooral:
- 1. Bij die patiënten wordt de diagnose van hiv-infectie zeer vaak (73,2%) laat gesteld. Dat blijkt onder meer uit het feit dat meer dan een derde op het ogenblik van de diagnose zich al in het stadium van aids bevond. In de totale patiëntenpopulatie ongeacht de leeftijd waarbij in Umbrië tijdens die periode een diagnose van hiv-infectie werd gesteld, was dat maar 23%.
- 2. Bijna 69,3% van de patiënten vertoonde niet-infectieuze comorbiditeit zoals gestoorde serumlipiden (52,5%), hypertensie (22,2%), osteoporose en/of vitamine D-tekort (22,2%), diabetes (19,2%), depressie of cognitieve stoornissen (13,8%), kanker niet toe te schrijven aan aids (13,1%), hart- en/of coronairlijden (10,1%) en chronische nierinsufficiëntie (5%).
- 3. De meeste patiënten (71%) werden daarvoor behandeld. 20% van de patiënten kregen meer dan vijf verschillende geneesmiddelen voor behandeling van de comorbiditeit.
- 4. Gezien het bijzonder hoge risico op medicamenteuze interacties in die groep hoeft het geen betoog dat het van het allergrootste belang is een oordeelkundige keuze te maken van de antiretrovirale middelen om de behandeling te starten. In 51,5% van de gevallen werd de behandeling gestart met een proteaseremmer, maar tijdens de laatste drie jaar van de studie werden vaker integraseremmers voorgeschreven. Nu wordt de behandeling in 70% van de gevallen gestart met een integraseremmer en nog maar in 16,6% van de gevallen met een proteaseremmer.
De studie leert dat niet zelden een diagnose van hiv-infectie op hogere leeftijd wordt gesteld, maar ook dat de incidentie ervan aan het stijgen is. Dat is toe te schrijven aan een slechte perceptie van het risico op besmetting via seksuele weg bij oudere patiënten. Het is precies alsof ze denken dat ze door hun leeftijd immuun zijn geworden voor het hiv. Op het ogenblik dat een diagnose van hiv-infectie wordt gesteld, blijken ze vaak ook nog een andere seksueel overdraagbare aandoening te hebben.
De studie leert verder nog dat die patiënten moeilijk te behandelen zijn. Vaak is de infectie al vrij gevorderd op het ogenblik dat de diagnose wordt gesteld, wat inhoudt dat het immuunsysteem trager zal herstellen, en bovendien betreft het fragielere patiënten met veel comorbiditeit die veel geneesmiddelen moeten innemen. Dat alles maakt dat de behandeling bijzonder complex zal zijn, dat er een groot risico bestaat op medicamenteuze interacties en dat de kosten voor de behandeling hoog zullen oplopen. Volgens de vorsers is het belangrijk eraan te herinneren dat er geen leeftijdsgrenzen zijn voor opsporing van een hiv-infectie. Als een patiënt een of meer risicofactoren voor hiv-infectie vertoont, is een test noodzakelijk en zelfs levensreddend, ongeacht de leeftijd van de patiënt.
Ref.: Belfiori B. et al. PE29/17, EACS 2019 congres, Basel.