Behandeling van type 2-diabetes en risico op retinopathie

Enkele studies tonen aan dat GLP-1-receptoragonisten een bestaande retinopathie tijdelijk zouden kunnen verergeren en op lange termijn het risico op optreden van die geduchte complicatie zouden kunnen verhogen. Dat heeft toch wel wat verwarring gezaaid in het hoofd van diabetologen en patiënten.
Om dat verder uit te pluizen, hebben de auteurs een cohortonderzoek uitgevoerd, waarvoor ze de gegevens hebben doorgenomen van 77.115 type 2-diabetespatiënten in de gegevensbank UK Clinical Practice Research Datalink die tussen januari 2007 en september 2015 een behandeling met antidiabetica waren gestart. De vorsers hebben de incidentie van diabetische retinopathie geraamd bij de patiënten die werden behandeld met GLP-1-receptoragonisten, en bij de patiënten die werden behandeld met minstens twee orale antidiabetica. In een andere analyse hebben ze GLP-1-receptoragonisten vergeleken met insuline (in beide gevallen ging het om 'nieuwe gebruikers').
Tijdens een follow-up van 245.825 patiëntjaren werden 10.763 nieuwe gevallen van diabetische retinopathie gediagnosticeerd. De incidentie van retinopathie was niet hoger met GLP-1-receptoragonisten dan met orale antidiabetica (respectievelijk 40,4 versus 49,0/1.000 patiëntjaren; gecorrigeerde HR 1,00; 95% BI 0,85-1,17).
In de periode van 6 tot 12 maanden na het starten van de behandeling werd echter een tijdelijke stijging van het risico waargenomen met GLP-1-receptoragonisten (incidentie 56,6 versus 45,9/1.000 patiëntjaren; gecorrigeerde HR 1,44; 95% BI 1,06-1,95).
De incidentie van diabetische retinopathie was lager met GLP-1-receptoragonisten dan met insuline (HR 0,67; 95% BI 0,51-0,90). De onderzoekers manen echter aan tot voorzichtigheid bij de interpretatie van die bevinding. Mogelijk is die laatste toe te schrijven aan vertekenende factoren.
A Douros et al. Diabetes Care. 2018 Aug 27. [Online gepubliceerd voor de papieren versie]. http://care.diabetesjournals.org/content/early/2018/08/22/dc17-2280