Crohn: combinatie infliximab en immunomodulerende middelen zeer effectief

Het is niet omdat iets logisch is, dat het ook waar is. Illustratie aan de hand van een explorerend, prospectief Europees onderzoek dat werd uitgevoerd door de GETAID (Groupe d'Etude Thérapeutique des Affections Inflammatoires du Tube Digestif), waaraan tien Belgische centra hebben deelgenomen.
Een combinatietherapie met infliximab en immunomodulerende middelen is zeer effectief bij de ziekte van Crohn. De beste resultaten worden behaald als de serumconcentraties van die geneesmiddelen hoger zijn dan een gegeven therapeutische drempelwaarde. Vandaar de logische hypothese dat een sterkere surveillance waarbij stelselmatig wordt gestreefd naar een infliximabspiegel > 3 µg/ml, weleens zou kunnen resulteren in een hoger percentage klinische en endoscopische remissie dan als de dosering klassiek wordt aangepast louter en alleen op grond van de symptomen.
Die hypothese werd getoetst in een gerandomiseerde, dubbelblinde studie bij 122 patiënten met een ziekte van Crohn (mediane leeftijd 29,8 jaar, 71 vrouwen) die nog nooit een biologisch geneesmiddel hadden gekregen, in 27 Europese ziekenhuizen. De patiënten kregen een inductietherapie met infliximab + een immunosuppressivum. Na 14 weken werden ze willekeurig ingedeeld in drie behandelingsgroepen:
- Groep A: stapsgewijze verhoging van de dosering (hoogstens twee keer met telkens 2,5 mg/kg) naargelang van de klinische symptomen (activiteitsindex) en de concentraties van biomarkers (CRP, fecaal calprotectinegehalte, en/of de serumconcentratie van infliximab);
- Groep B: stapsgewijze verhoging van de dosering met telkens 5-10 mg/kg volgens diezelfde criteria;
- Controlegroep: verhoging van de dosering tot 10 mg/kg louter op grond van de klinische symptomen.
Het primaire eindpunt was een aanhoudende klinische remissie zonder corticoïden (activiteitsindex < 150) van week 22 tot week 54 en zonder ulceratie na 54 weken. Dat criterium werd bereikt door 15 (33%) van de 45 patiënten van groep A, 10 (27%) van de 37 patiënten van groep B en 16 (40%) van de 40 patiënten van de controlegroep. Dus geen significant verschil tussen de controlegroep en de twee groepen met een sterkere surveillance (p = 0,50).