Allergie voor pindanootjes: mogelijke oplossing via borstvoeding

Kinderen van moeders die pindanootjes eten tijdens de periode van borstvoeding, en die zelf pindanootjes krijgen tijdens het eerste levensjaar, lopen een lager risico op sensibilisering voor pindanootjes dan andere combinaties van consumptie van pindanootjes door moeder en kind.
Volgens deze Canadese studie is het dus niet zo dat het eten van pindanootjes tijdens de periode van borstvoeding het risico op allergie voor pindanootjes verhoogt. Integendeel, als moeders pindanootjes eten tijdens de periode van borstvoeding, zou dat de baby kunnen beschermen tegen het optreden van een dergelijke allergie later in het leven.
De auteurs zijn tot die conclusie gekomen na analyse van de gegevens van een studie over allergie en astma (The Canadian Asthma Primary Prevention Study) die 545 kinderen die in 1995 waren geboren in Winnipeg of Vancouver, heeft gevolgd van de geboorte tot de leeftijd van 15 jaar. De moeders werden herhaaldelijk met vragenlijsten ondervraagd over hun consumptie van pindanootjes en borstvoeding en ook werd hun gevraagd of ze hun baby al dan niet vroeg pindanootjes hadden gegeven.
Op de leeftijd van 7 jaar werden huidtests uitgevoerd om overgevoeligheid voor pindanootjes te detecteren. Op die leeftijd was 9,4% van de kinderen overgevoelig geworden voor pindanootjes.
De incidentie van overgevoeligheid was het laagst (1,7%) als de moeders pindanootjes hadden gegeten tijdens de periode van borstvoeding, en als de kinderen pindanootjes hadden gegeten voor de leeftijd van een jaar.
Die incidentie was significant hoger als de moeders pindanootjes hadden gegeten tijdens de periode van borstvoeding, maar hun kinderen pas pindanootjes hadden gegeven na de leeftijd van 12 maanden (15,1%), en als de moeders geen pindanootjes hadden gegeten tijdens de periode van borstvoeding en hun kinderen al pindanootjes hadden gegeven op de leeftijd van 12 maanden (17,6%).
(referentie: Journal of Allergy and Clinical Immunology, 12 september 2017, DOI: 10.1016/j.jaci.2017.06.024)