Als metformine alleen niet meer volstaat

Sinds 1998 en de publicatie van de UKPDS-studie (United Kingdom Prospective Study) vormt metformine de hoeksteen bij de behandeling van type 2-diabetes. Maar wat doe je als de glykemie onvoldoende onder controle is met metformine in monotherapie?
Als de metabole controle onvoldoende was met metformine in monotherapie, werd metformine lange tijd gecombineerd met een tweede antidiabeticum, vooral een sulfonylureumderivaat. Maar de tijden veranderen en mettertijd is het therapeutische arsenaal uitgebreid met nieuwe farmacotherapeutische categorieën die kunnen worden gecombineerd met metformine.
We denken daarbij met name aan DPP-4-remmers (dipeptidylpeptidase 4-remmers), gewoonlijk gliptines, en SGLT2-remmers (remmers van de natrium-glucose-cotransporter 2), gliflozines. Die geneesmiddelen zijn nu een alternatief voor sulfonylureumderivaten, zeker bij patiënten die risico lopen op hypoglykemie.
Onze landgenoten Nicolas Paquet en André Scheen hebben een review geschreven over de plaats van die nieuwe farmacotherapeutische klassen. Ze stellen dat je je bij de keuze tussen een gliptine en een gliflozine kan laten leiden door de individuele kenmerken van de patiënten.
Je zal veeleer een gliptine voorschrijven bij een vrij oude, niet te zware patiënt die geen te hoge glykemiewaarden heeft, maar wel een beladen metabool profiel en eventueel een verminderde nierfunctie.
Je zal veeleer een gliflozine voorschrijven bij een zwaarlijvige patiënt met hypertensie, hyperurikemie, een cardiovasculaire voorgeschiedenis (vooral hartfalen), maar zonder gevorderde nierinsufficiëntie en met slechts een laag risico op urogenitale infecties, uitdroging of hypotensie.