Hartfrequentie voorspelt evolutie van bètacelfunctie
Een hogere hartfrequentie wordt gekoppeld aan insulineresistentie en type 2-diabetes, hoewel de relatie hartfrequentie en bètacelfunctie niet gekend is. In deze studie wordt dan ook onderzocht of de basishartfrequentie in verband kan worden gebracht met de bètacelfunctie en met hyperglykemie.
De patiënten bij wie dit verband werd nagetrokken, zijn 1500 deelnemers van de prospectieve RISC-cohorte (Relationschip Between Insulin Sensitivity and Cardiovascular Disease). Hierin werden niet-diabetici (uit 19 centra in 13 Europese landen; 30-60 jaar, klinisch gezond) geïncludeerd en opgevolgd met een orale glucosetolerantietest bij inclusie en drie jaar later. Ook de insulinegevoeligheid en de gevoeligheid van de bètacel voor glucose werden baseline en na drie jaar bepaald.
Predictie van gestoorde glucosetolerantie
De basishartfrequentie bleek recht evenredig zowel met de nuchtere glykemie als met de glykemie na twee uur in de OGTT (resp. p<0,0001 en p=0,02). Na correctie voor de baseline insulinegevoeligheid in een logistisch regressiemodel, kon de hartfrequentie aldus een gestoorde glucosetolerantie van drie jaar later voorspellen met een OR per 10 additionele slagen/minuut van 1,31 (1,07-1,61; p=0,01).
De basishartfrequentie ging ook significant gepaard met een lagere insulinegevoeligheid en een verminderde bètacelfunctie drie jaar later (na correcties in een multivariabel regressiemodel).
Effect van het sympathisch zenuwstelsel
Bij niet-diabetici kan dus op basis van de hartfrequentie een voorspelling worden gemaakt van de mate van gevoeligheid van de bètacel voor glucose en van de basale insulinesecretie drie jaar later. En dit onafhankelijk van de insulinegevoeligheid. Deze resultaten wijzen op een mogelijk effect van het sympathisch zenuwstelsel op de bètacelfunctie. Voer voor verder onderzoek.