ASCO 2015: ASPEN scheert hoge toppen
De presentatie van de definitieve resultaten van een studie is altijd een belangrijk moment. Andrew Armstrong (Durham, NC, VS) presenteerde op het ASCO 2015, dat net is afgelopen, de eindresultaten van de ASPEN-studie die werd uitgevoerd bij patiënten met een gemetastaseerde, niet-heldercellige nierkanker (NC-RCC).
ASPEN is een gerandomiseerde fase 2-studie die everolimus heeft vergeleken met sunitinib bij patiënten met een gemetastaseerde niet-heldercellige nierkanker. NC-RCC (goed voor ongeveer 25% van de gevallen van nierkanker) is, aldus de Amerikaanse specialist, een genetisch en histologisch heterogene kanker.
Het is een belangrijke studie. De meeste studies tot nog toe bevatten slechts één behandelingsgroep of een ongecontroleerde reeks gevallen. Doordat het zo'n heterogene kanker is, is de werkzaamheid van mTOR-remmers en VEGF-antagonisten niet bewezen. ASPEN is de grootste studie die ooit werd uitgevoerd om na te gaan wat het beste klinische beleid is, en om voorspellende biomarkers op te sporen.
57 patiënten werden tussen 2010 en 2013 behandeld met everolimus (EVE) (10 mg 1x/d d 1-42) en 51 patiënten werden behandeld met sunitinib (SUN) (50 mg 1x/d, d1 tot 28). De twee groepen waren vergelijkbaar wat de demografische kenmerken betreft. De mediane leeftijd was 63 jaar. 75% van de patiënten was van het mannelijke geslacht. Distributie van de kanker: 66% papillaire, 15% chromofobe en 19% niet te klasseren kanker.
Het primaire eindpunt was de PFS, gedefinieerd als radiografische progressie volgens RECIST 1.1-criteria, of overlijden. De mediane duur van de behandeling was 5,1 maanden met sunitinib en 4,1 maanden met everolimus. Het aantal patiënten dat de behandeling heeft stopgezet wegens tumorprogressie, was vergelijkbaar in de twee groepen.
Andere geneesmiddelen, andere effecten
De mediane PFS was 8,3 maanden met sunitinib en 5,6 maanden met everolimus. De HR bedroeg 1,41 in het voordeel van sunitinib. Dat was zo in alle vooraf gespecificeerde subgroepen (zie onderstaande tabel) behalve bij de hoogrisicopatiënten (bij die patiënten deed everolimus het beter dan sunitinib) en bij de patiënten met een chromofobe tuor.
De totale overleving was een secundair eindpunt. De mediane OS bedroeg 32 maanden met sunitinib en 13 maanden met everolimus. Het totale responspercentage was beter met sunitinib dan met everolimus. Het percentage complete of partiële respons bedroeg 18% met SUN en 9 met EVE. Het percentage patiënten waarbij de tumor kon worden gestabiliseerd, bedroeg respectievelijk 59% en 53%. En het percentage patiënten met tumorprogressie was hoger met EVE dan met SUN (respectievelijk 23 en 19%). De mediane duur van de respons was ook langer met sunitinib dan met everolimus. Er zijn geen onverwachte bijwerkingen opgetreden. De bijwerkingen van sunitinib verschillen sterk van die van everolimus.
Tot besluit, sunitinib verlengt de PFS bij patiënten met een gemetastaseerde NC-RCC meer dan everolimus. Dat is vooral zo bij de patiënten met een papillaire of een niet-geclassificeerde nierkanker. Een nierkanker met een slechte prognose en chromofobe nierkanker blijken beter te reageren op everolimus.