Nierfunctieparameters helpen cardiovasculair risico nader te bepalen
Het gebruik van de ingeschatte glomerulaire filtratiesnelheid (eGFR) en albuminurie voor de predictie van cardiovasculaire ziekten gaf in het verleden vaak tegenstrijdige resultaten. De auteurs onderzoeken in een meta-analyse de meerwaarde van beide parameters, naast de klassieke risicofactoren, in het stratificeren van het cardiovasculaire risico.
Voor de meta-analyse werden de individuele gegevens van meer dan 630.000 mensen zonder hart- en vaatziekte uit 24 cohortes gebruikt. Deze cohortes maken deel uit van het Chronic Kidney Disease Prognosis Consortium, waar de mediane follow-up van 4,2 tot 19 jaar bedraagt.
Methodologie
De auteurs gebruikten een analyse op basis van de C statistiek waarmee de discriminerende waarde van een test kan worden bepaald. Als uitkomsten keken ze naar cardiovasculaire mortaliteit, fatale en niet-fatale coronaire hartziekten, beroerte en hartfalen over een periode van vijf jaar. Ze gebruikten predictiemodellen voor de klassieke risicofactoren met of zonder eGFR (op basis van creatinine), albuminurie (verhouding albumine-creatinine of semikwantitatieve teststrips voor proteïnurie), of beide.
Verhouding albumine-creatinine superieur
Het toevoegen van de eGFR en de verhouding albumine-creatinine slaagde er significant beter in om in de algemene bevolking bovenop de klassieke risicofactoren het onderscheid te maken tussen hoog en laag risico op de onderzochte cardiovasculaire uitkomsten. Maar de verhouding albumine-creatinine deed het beter (dan eGFR) wat cardiovasculaire mortaliteit en hartfalen betreft, dan wat coronaire ziekten en beroerte betreft. Teststrips voor proteïnurie waren minder goed in het stratificeren van het risico.
Bij individuen met diabetes of hoge bloeddruk was de bijdrage van eGFR en de verhouding albumine-creatinine het sterkst uitgesproken. Alleen de bijdrage van de verhouding albumine-creatinine bleef significant voor cardiovasculaire mortaliteit en hartfalen zowel bij individuen met als zonder diabetes of hoge bloeddruk.
Bij individuen met chronisch nierfalen is de combinatie van beide parameters zelfs beter in het voorspellen van de cardiovasculaire mortaliteit dan elke wijzigbare klassieke risicofactor.
Besluit
De auteurs besluiten dat de eGFR en de verhouding albumine-creatinine, bepalingen die vaak tot de standaardparameters behoren (zeker bij patiënten met chronisch nierfalen, diabetes of hoge bloeddruk), het risico op cardiovasculaire mortaliteit en hartfalen extra kunnen stratificeren. Zeker bij patiënten met chronisch nierfalen kunnen de huidige richtlijnen zo beter worden gevolgd. Maar ook in de algemene bevolking kan hiermee het cardiovasculaire risico nader worden bepaald.