Verband borstkanker en hyperprolactinemie
De Nederlandse en Deense auteurs hebben eigen data en resultaten uit vorige studies in de literatuur samengebracht in een meta-analyse om het mogelijke risico op borstkanker te onderzoeken bij patiënten met hyperprolactinemie.
Uit de nationale registers werden die patiënten geïdentificeerd bij wie in de periode 1994 tot 2012 een eerste diagnose van hyperprolactinemie werd gesteld, inclusief diegenen bij wie een nieuwe borstkanker werd gevonden in de follow-up.
SIR
Op basis van de nationale cijfers voor kankerincidentie werd de gestandaardiseerde incidentieratio (SIR) berekend: in dit geval de verhouding van de borstkankerincidentie in de groep met hyperprolactinemie en de borstkankerincidentie in de groep zonder hyperprolactinemie, gestandaardiseerd voor geslacht, leeftijd en kalenderjaar.
Over een follow-up van 19.411 persoonsjaren werden 2457 patiënten met hyperprolactinemie geïdentificeerd en 20 patiënten met borstkanker. Dat geeft een SIR van 0,99 (0,60-1,52).
Uit de literatuur werden de gegevens van twee bijkomende cohortes toegevoegd en geanalyseerd. Uit de gepoolde data bleek het relatieve risico op borstkanker bij patiënten met hyperprolactinemie 1,04 (0,75-1,43).
Er kan dus worden besloten dat het risico op borstkanker bij patiënten met hyperprolactinemie niet verhoogd is.
Bij ductale carcinoma
Eerder onderzoek stelde vast dat 6% van de vrouwen met infiltrerende ductale borstcarcinomen hyperprolactinemie (>25 ng/ml) had en dat dit alleen gecorreleerd ging met oudere leeftijd, maar niet met andere klinische of biologische factoren. Verrassend was toen dat deze hyperprolactinemie gepaard ging met een sterke expressie van bcl-2, wat volgens de auteurs suggereerde dat hyperprolactinemie geen teken was van slechte prognose of evolutie.